weten
werkwoord /ˈʋeː.tə(n)/Betekenis
- ergens kennis van hebben
- ~ te: erin slagen
- te weten te komen: iets ontdekken
- beseffen
Hoe spreek je weten uit?
/ˈwetən/
Weten bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| w | quiz |
| e | veel |
| t | tak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- laat weten: zeggen wat men vindt van iets
Vervoeging van weten
wetenhele werkwoord — wistverleden tijd enkelvoud — wistenverleden tijd meervoud — gewetenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | weet | wist |
| jij | weet | wist |
| hij, zij, het | weet | wist |
| wij | weten | wisten |
| jullie | weten | wisten |
| zij | weten | wisten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| geweten | verleden tijd, deelwoord |
| geweten te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geweten zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geweten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geweten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geweten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geweten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geweten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geweten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geweten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geweten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geweten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geweten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geweten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geweten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geweten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geweten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geweten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben geweten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te weten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen weten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| weet | gebiedende wijs |
| wete | aanvoegende wijs |
| wetend | onvoltooid, deelwoord |
| wist | verleden tijd |
| zal geweten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geweten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geweten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal weten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal weten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal weten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geweten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geweten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geweten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou weten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou weten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou weten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geweten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geweten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geweten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden weten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden weten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden weten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geweten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt weten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geweten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geweten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geweten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen weten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen weten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen weten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen weten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geweten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult weten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van wijten
Vervoeging van weten
wetenhele werkwoord — wistverleden tijd enkelvoud — wistenverleden tijd meervoud — gewetenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | weet | wist |
| jij | weet | wist |
| hij, zij, het | weet | wist |
| wij | weten | wisten |
| jullie | weten | wisten |
| zij | weten | wisten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| geweten | verleden tijd, deelwoord |
| geweten te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geweten zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geweten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geweten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geweten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geweten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geweten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geweten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geweten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geweten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geweten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geweten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geweten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geweten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geweten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geweten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geweten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben geweten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te weten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen weten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| weet | gebiedende wijs |
| wete | aanvoegende wijs |
| wetend | onvoltooid, deelwoord |
| wist | verleden tijd |
| zal geweten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geweten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geweten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal weten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal weten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal weten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geweten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geweten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geweten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou weten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou weten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou weten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geweten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geweten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geweten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden weten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden weten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden weten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geweten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt weten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geweten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geweten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geweten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen weten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen weten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen weten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen weten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geweten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult weten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
erfwoord, in de betekenis van ‘kennis hebben, begrijpen’ aangetroffen vanaf 901
Woordfamilie van weten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| wete | aanvoegende wijs | weten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van weten zijn vastgelegd.