bezweten
werkwoord, bijvoeglijk naamwoord bəˈzwetə(n)Betekenis
- door transpiratie natmaken
- met veel inspanning iets doen, bereiken of verwerven
- een grote inspanning verrichten
Hoe spreek je bezweten uit?
/bəˈzwetən/
Bezweten bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ə | de |
| z | zon |
| w | quiz |
| e | veel |
| t | tak |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Klinkt hetzelfde als bezweetten.
werkwoord
- # voltooid deelwoord van bezweten*
Vervoeging van bezweten
bezwetenhele werkwoord — bezweetteverleden tijd enkelvoud — bezweettenverleden tijd meervoud — bezweetvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bezweet | bezweette |
| jij | bezweet | bezweette |
| hij, zij, het | bezweet | bezweette |
| wij | bezweten | bezweetten |
| jullie | bezweten | bezweetten |
| zij | bezweten | bezweetten |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bezweet | gebiedende wijs |
| bezweet | verleden tijd, deelwoord |
| bezweet te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bezweet zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bezweette | verleden tijd |
| bezwete | aanvoegende wijs |
| bezweten* | verleden tijd, deelwoord |
| bezwetend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| had bezweet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had bezweet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had bezweet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden bezweet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden bezweet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden bezweet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt bezweet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb bezweet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bezweet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben bezweet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bezweet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben bezweet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt bezweet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bezweet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bezweet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te bezweten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben bezweet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bezweten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal bezweet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bezweet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal bezweet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal bezweten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bezweten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bezweten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou bezweet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bezweet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bezweet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou bezweten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bezweten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bezweten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden bezweet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden bezweet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden bezweet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bezweten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bezweten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bezweten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt bezweet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt bezweten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen bezweet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen bezweet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen bezweet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen bezweten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen bezweten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bezweten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bezweten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult bezweet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult bezweten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- verouderde spelling of vorm van bezwete tot 1946/47
Herkomst
ww: van Middelnederlands besweten; op te vatten als afgeleid van zweten ww met het voorvoegsel be-
Woordfamilie van bezweten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bezweette | verleden tijd | bezweten |
| bezweetten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | bezweten |
| bezwetend | onvoltooid deelwoord | bezweten |
| bezwetende | woordvorm | bezweten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bezweten zijn vastgelegd.