meet
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een grensstreep, een eindstreep
- ontmoeten
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| meetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| meetjes | verkleinwoord, meervoud |
| meten | meervoud |
Woordvorm
- enkelvoud tegenwoordige tijd van meten
- gebiedende wijs van meten
Vervoeging van meet
meethele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘streep, honk’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1618