vermaken
werkwoord, zelfstandig naamwoord vərˈmakə(n)Betekenis
- iemand prettig en leuk bezighouden
- een kledingstuk veranderen
- iets in een testament toebedelen
Hoe spreek je vermaken uit?
/vərˈmakən/
Vermaken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ə | de |
| r | rood |
| m | maan |
| a | maan |
| k | kat |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van vermaken
vermakenhele werkwoord — vermaakteverleden tijd enkelvoud — vermaaktenverleden tijd meervoud — vermaaktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vermaak | vermaakte |
| jij | vermaakt | vermaakte |
| hij, zij, het | vermaakt | vermaakte |
| wij | vermaken | vermaakten |
| jullie | vermaken | vermaakten |
| zij | vermaken | vermaakten |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben vermaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent vermaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is vermaakt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was vermaakt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd vermaakt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt vermaakt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal vermaakt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal vermaakt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou vermaakt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou vermaakt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had vermaakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had vermaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had vermaakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden vermaakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden vermaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden vermaakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt vermaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb vermaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vermaakt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben vermaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vermaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben vermaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt vermaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vermaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vermaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is vermaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is vermaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben vermaakt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te vermaken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vermaken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vermaak | gebiedende wijs |
| vermaak me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| vermaak u/je , vermaakt je | gebiedende wijs |
| vermaakt | verleden tijd, deelwoord |
| vermaakt je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| vermaakt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vermaakt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vermaakt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vermaakt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vermaakt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vermaakt u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| vermaakt u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| vermaakt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| vermaakt zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| vermaakt zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| vermaakt zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| vermaakt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| vermaakt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vermaakt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vermaakt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vermaakte | verleden tijd |
| vermaakte je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| vermaakte me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| vermaakte u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| vermaakte u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| vermaakte zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| vermaakte zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| vermaakte zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| vermaakten je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| vermaakten ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| vermaakten zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| vermake | aanvoegende wijs |
| vermake zich | aanvoegende wijs |
| vermaken je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| vermaken ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| vermaken zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| vermakend | onvoltooid, deelwoord |
| waart vermaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren vermaakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren vermaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren vermaakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was vermaakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was vermaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was vermaakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd vermaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd vermaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd vermaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden vermaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden vermaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden vermaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt vermaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word vermaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden vermaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden vermaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden vermaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt vermaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt vermaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal me vermaken | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal vermaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vermaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal vermaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vermaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vermaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal vermaakt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vermaakt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vermaken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vermaken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vermaken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal zich vermaken | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je vermaken | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich vermaakt hebben | verleden tijd |
| zich vermakend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn vermaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn vermaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn vermaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt vermaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou vermaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vermaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vermaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vermaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vermaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou vermaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vermaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vermaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vermaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vermaken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vermaken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vermaken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden vermaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden vermaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden vermaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vermaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vermaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vermaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vermaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden vermaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden vermaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vermaken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vermaken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vermaken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt vermaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vermaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vermaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vermaken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen je vermaken | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons vermaken | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen vermaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen vermaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord vermaak
Herkomst
In de betekenis van ‘anders maken’ voor het eerst aangetroffen in 1276
Woordfamilie van vermaken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vermaakt | voltooid deelwoord | vermaken |
| vermaakte | verleden tijd | vermaken |
| vermaakten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vermaken |
| vermake | aanvoegende wijs | vermaken |
| vermakend | onvoltooid deelwoord | vermaken |
| vermakende | woordvorm | vermaken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vermaken zijn vastgelegd.