braken
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈbrakə(n)Betekenis
- het verwijderen van voedsel en/of andere stoffen uit de maag via de mond en soms de neus.
- na het roten kneuzen of breken van vlas- of hennepstengels
- omploegen maar niet inzaaien
- nachtbraken, brassen en slempen
Hoe spreek je braken uit?
/ˈbrakən/
Braken bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| r | rood |
| a | maan |
| k | kat |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van braken
brakenhele werkwoord — braakteverleden tijd enkelvoud — braaktenverleden tijd meervoud — gebraaktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | braak | braakte |
| jij | braakt | braakte |
| hij, zij, het | braakt | braakte |
| wij | braken | braakten |
| jullie | braken | braakten |
| zij | braken | braakten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| braak | gebiedende wijs |
| braakte | verleden tijd |
| brake | aanvoegende wijs |
| brakend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| gebraakt | verleden tijd, deelwoord |
| gebraakt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebraakt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gebraakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gebraakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gebraakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gebraakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gebraakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gebraakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gebraakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gebraakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebraakt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gebraakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebraakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gebraakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gebraakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebraakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebraakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te braken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gebraakt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen braken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal braken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal braken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal braken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gebraakt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebraakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gebraakt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou braken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou braken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou braken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gebraakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebraakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebraakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden braken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden braken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden braken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gebraakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebraakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebraakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt braken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gebraakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen braken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen braken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen braken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen braken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gebraakt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebraakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebraakt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult braken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gebraakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord braak
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van breken
Vervoeging van braken
brakenhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘vlas breken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1350
Woordfamilie van braken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| braakte | verleden tijd | braken |
| braakten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | braken |
| brake | aanvoegende wijs | braken |
| brakend | onvoltooid deelwoord | braken |
| brakende | woordvorm | braken |
| gebraakt | voltooid deelwoord | braken |
| gebraakte | woordvorm | braken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van braken zijn vastgelegd.