ontwaken
werkwoord ɔntˈwakə(n)Betekenis
- uit de slaap weer tot vol bewustzijn terugkeren
Hoe spreek je ontwaken uit?
/ɔntˈwakən/
Ontwaken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɔ | bot |
| n | nek |
| t | tak |
| w | quiz |
| a | maan |
| k | kat |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van ontwaken
ontwakenhele werkwoord — ontwaakteverleden tijd enkelvoud — ontwaaktenverleden tijd meervoud — ontwaaktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ontwaak | ontwaakte |
| jij | ontwaakt | ontwaakte |
| hij, zij, het | ontwaakt | ontwaakte |
| wij | ontwaken | ontwaakten |
| jullie | ontwaken | ontwaakten |
| zij | ontwaken | ontwaakten |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben ontwaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent ontwaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is ontwaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is ontwaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| ontwaak | gebiedende wijs |
| ontwaakt | verleden tijd, deelwoord |
| ontwaakt te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ontwaakt zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ontwaakte | verleden tijd |
| ontwake | aanvoegende wijs |
| ontwakend | onvoltooid, deelwoord |
| te ontwaken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn ontwaakt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ontwaken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart ontwaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontwaakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren ontwaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren ontwaakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was ontwaakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was ontwaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was ontwaakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal ontwaakt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal ontwaakt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal ontwaakt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ontwaken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ontwaken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ontwaken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn ontwaakt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn ontwaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn ontwaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn ontwaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt ontwaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou ontwaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou ontwaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou ontwaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ontwaken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ontwaken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ontwaken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden ontwaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden ontwaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden ontwaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ontwaken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ontwaken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ontwaken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt ontwaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ontwaken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen ontwaakt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen ontwaakt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen ontwaakt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ontwaken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ontwaken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ontwaken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ontwaken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult ontwaakt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ontwaken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘wakker worden’ voor het eerst aangetroffen in 1265
Woordfamilie van ontwaken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ontwaak | gebiedende wijs | ontwaken |
| ontwaakt | voltooid deelwoord | ontwaken |
| ontwaakte | verleden tijd | ontwaken |
| ontwaakten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ontwaken |
| ontwake | aanvoegende wijs | ontwaken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ontwaken zijn vastgelegd.