hik
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een periodiek optredende, spontane, onwillekeurige samentrekking van het middenrif tijdens inademing, gevolgd door het plots sluiten van het strotklepje, wat een kenmerkend geluid veroorzaakt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| hikje | verkleinwoord, enkelvoud |
| hikjes | verkleinwoord, meervoud |
| hikken | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hikken
- gebiedende wijs van hikken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hikken
Vervoeging van hik
hikhele werkwoord
Woordfamilie van hik
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hikje | verkleinwoord | hik |
| hikjes | verkleinwoord meervoud | hik |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hik zijn vastgelegd.