gezind
bijvoeglijk naamwoord, werkwoord ɣəˈzɪntBetekenis
- met een bepaalde neiging tot, gesteld op
Hoe spreek je gezind uit?
/xəˈzɪnt/
Gezind bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| ə | de |
| z | zon |
| ɪ | pit |
| n | nek |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| gezinde | verbogen, stellende trap |
| gezinds | partitief, stellende trap |
Woordvorm
- voltooid deelwoord van zinnen
Vervoeging van gezind
gezindhele werkwoord
Alle 1 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [A] gezind | canonical |
Woordvorm
- voltooid deelwoord van gezinnen
Vervoeging van gezind
gezindhele werkwoord
Alle 1 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [B] gezind | canonical |
Herkomst
bn: van Middelnederlands gesint, op te vatten als pseudodeelwoord afgeleid van zin zn met het omvoegsel ge- -d, in de betekenis van ‘genegen’ voor het eerst aangetroffen in 1300
Woordfamilie van gezind
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gezinds | partitive, positive | gezind |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gezind zijn vastgelegd.