braak
zelfstandig naamwoord, bijwoord, werkwoordBetekenis
- een bewerking van vlas of hennep waarbij de houtachtige leem|lemen van de vlas- of hennepstengels gebroken worden
- een houten toestel bedoeld voor 1
- een stuk braakliggend land
- een om de hals van een schutterskoning gehangen versiering
- het breken of stukmaken van iets (bijv. van een dijk) (ook
- het ongeoorloofd verbreken van een verzegeling of vergrendeling
- ~ liggen niet langer bebouwd worden voor landbouwdoeleinden
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- een bewerking van vlas of hennep waarbij de houtachtige lemen van de vlas- of hennepstengels gebroken worden
- een houten toestel bedoeld voor [1]
- het breken of stukmaken van iets (bijv. van een dijk) (ook )
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| braakje | verkleinwoord, enkelvoud |
| braakjes | verkleinwoord, meervoud |
| braken | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van braken
- gebiedende wijs van braken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van braken
Vervoeging van braak
braakhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘onbebouwd’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1562
Woordfamilie van braak
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| braakje | verkleinwoord | braak |
| braakjes | verkleinwoord meervoud | braak |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van braak zijn vastgelegd.