beletten
werkwoordBetekenis
- iets of iemand storen in zijn/haar bezigheden
werkwoord
- ervoor zorgen dat iemand iets niet kan doen transitive
Vervoeging van beletten
belettenhele werkwoord — beletteverleden tijd enkelvoud — beletvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | belet | belette |
| jij | belet | belette |
| hij, zij, het | belet | belette |
| wij | beletten | — |
| jullie | beletten | — |
| zij | beletten | — |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| belet | gebiedende wijs |
| belet | verleden tijd, deelwoord |
| belet te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| belet zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| belette | verleden tijd |
| belette | aanvoegende wijs |
| belettend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| had belet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had belet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had belet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden belet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden belet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden belet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt belet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb belet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben belet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben belet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben belet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben belet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt belet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft belet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft belet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te beletten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben belet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen beletten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal belet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal belet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal belet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal beletten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal beletten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal beletten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou belet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou belet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou belet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou beletten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou beletten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou beletten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden belet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden belet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden belet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beletten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden beletten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden beletten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt belet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt beletten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen belet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen belet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen belet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen beletten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen beletten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen beletten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen beletten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult belet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult beletten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van beletten
Vervoeging van beletten
belettenhele werkwoord — beletteverleden tijd enkelvoud — beletvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | belet | belette |
| jij | belet | belette |
| hij, zij, het | belet | belette |
| wij | beletten | — |
| jullie | beletten | — |
| zij | beletten | — |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| belet | gebiedende wijs |
| belet | verleden tijd, deelwoord |
| belet te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| belet zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| belette | verleden tijd |
| belette | aanvoegende wijs |
| belettend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| had belet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had belet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had belet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden belet | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden belet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden belet | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt belet | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb belet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben belet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben belet | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben belet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben belet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt belet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft belet | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft belet | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te beletten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben belet | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen beletten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal belet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal belet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal belet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal beletten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal beletten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal beletten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou belet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou belet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou belet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou beletten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou beletten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou beletten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden belet hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden belet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden belet hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden beletten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden beletten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden beletten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt belet hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt beletten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen belet hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen belet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen belet hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen beletten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen beletten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen beletten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen beletten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult belet hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult beletten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘verhinderen’ voor het eerst aangetroffen in 1254
Woordfamilie van beletten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| belette | verleden tijd | beletten |
| belettend | onvoltooid deelwoord | beletten |
| belettende | woordvorm | beletten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van beletten zijn vastgelegd.