Naar de inhoud

beletten

iets of iemand storen in zijn/haar bezigheden

beletten

werkwoord

Betekenis

  1. iets of iemand storen in zijn/haar bezigheden

werkwoord

  1. ervoor zorgen dat iemand iets niet kan doen transitive

Vervoeging van beletten

belettenhele werkwoord — beletteverleden tijd enkelvoud — beletvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik belet belette
jij belet belette
hij, zij, het belet belette
wij beletten —
jullie beletten —
zij beletten —
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
belet gebiedende wijs
belet verleden tijd, deelwoord
belet te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
belet zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
belette verleden tijd
belette aanvoegende wijs
belettend onvoltooid, deelwoord
ev. gebiedende wijs
had belet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had belet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had belet voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden belet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden belet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden belet voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt belet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb belet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben belet actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben belet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben belet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben belet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt belet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft belet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft belet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te beletten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben belet actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen beletten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal belet hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal belet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal belet hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal beletten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal beletten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal beletten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou belet hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou belet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou belet hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou beletten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou beletten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou beletten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden belet hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden belet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden belet hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden beletten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden beletten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden beletten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt belet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt beletten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen belet hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen belet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen belet hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen beletten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen beletten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen beletten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen beletten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult belet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult beletten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud verleden tijd van beletten

Vervoeging van beletten

belettenhele werkwoord — beletteverleden tijd enkelvoud — beletvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik belet belette
jij belet belette
hij, zij, het belet belette
wij beletten —
jullie beletten —
zij beletten —
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
belet gebiedende wijs
belet verleden tijd, deelwoord
belet te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
belet zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
belette verleden tijd
belette aanvoegende wijs
belettend onvoltooid, deelwoord
ev. gebiedende wijs
had belet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had belet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had belet voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden belet voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden belet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden belet voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt belet voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb belet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben belet actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben belet voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben belet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben belet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt belet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft belet voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft belet voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te beletten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben belet actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen beletten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal belet hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal belet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal belet hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal beletten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal beletten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal beletten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou belet hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou belet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou belet hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou beletten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou beletten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou beletten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden belet hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden belet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden belet hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden beletten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden beletten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden beletten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt belet hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt beletten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen belet hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen belet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen belet hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen beletten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen beletten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen beletten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen beletten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult belet hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult beletten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

In de betekenis van ‘verhinderen’ voor het eerst aangetroffen in 1254

Woordfamilie van beletten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
belette verleden tijd beletten
belettend onvoltooid deelwoord beletten
belettende woordvorm beletten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van beletten zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over beletten

Wat is de betekenis van beletten?
Beletten is een werkwoord. De betekenis is: iets of iemand storen in zijn/haar bezigheden. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik beletten?
Zo vervoeg je beletten zo: de tegenwoordige tijd is belet, de verleden tijd is belette en het voltooid deelwoord is belet. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord beletten is 14 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. B 3
  2. E 1
  3. L 3
  4. E 1
  5. T 2
  6. T 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 14 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

beletten levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 69 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. B 4
  2. E 1
  3. L 3
  4. E 1
  5. T 2
  6. T 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 zonder bonus
  10. 69 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

beletten in het kort

beletten staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van beletten staan er 28 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort beletten bij een woordfamilie van 3 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

beletten: iets of iemand storen in zijn/haar bezigheden
Deel beletten — standaardnederlands.nl