Samengestelde zin: nevenschikking en onderschikking
Een samengestelde zin bestaat uit meer dan één zin die aan elkaar vastzit. Op deze pagina lees je wat een samengestelde zin is, wat het verschil is met een enkelvoudige zin en hoe je nevenschikkende en onderschikkende samenstellingen herkent. Met voorbeelden en handige manieren om de delen van zo'n zin te vinden.
Door Maarten Soetens
Enkelvoudige en samengestelde zinnen
Een enkelvoudige zin heeft één persoonsvorm en dus één gezegde: Ik lees een boek. Een samengestelde zin heeft meer dan één persoonsvorm: Ik lees een boek en jij kijkt televisie. Je telt dus het aantal persoonsvormen. Is er één persoonsvorm, dan is de zin enkelvoudig. Zijn het er twee of meer, dan is de zin samengesteld. De delen van een samengestelde zin heten deelzinnen. Dat tellen is de snelste manier om te zien met welk soort zin je te maken hebt.
Er zijn twee manieren waarop deelzinnen aan elkaar gekoppeld worden.
- Nevenschikking. Twee gelijkwaardige hoofdzinnen staan naast elkaar, vaak verbonden door een nevenschikkend voegwoord als en, maar, of, want of dus. Bijvoorbeeld: Het regent, dus ik blijf thuis. Elke deelzin zou ook los kunnen staan.
- Onderschikking. Een bijzin hangt af van een hoofdzin en begint met een onderschikkend voegwoord, een betrekkelijk voornaamwoord of een vraagwoord. Bijvoorbeeld: Ik blijf thuis omdat het regent. De bijzin kan niet los staan.
Beide soorten kunnen in één zin voorkomen: Ik blijf thuis omdat het regent, maar jij gaat naar buiten. Ook een samengetrokken zin is samengesteld. In Ik pak mijn jas en ga naar buiten staan twee persoonsvormen (pak en ga), maar het onderwerp ik staat maar één keer.
Voorbeelden van samengestelde zinnen
Hieronder staan enkele zinnen met het aantal persoonsvormen. Bij elke zin lees je waarom hij enkelvoudig of samengesteld is.
- Ik lees een boek. Er is één persoonsvorm (lees), dus dit is een enkelvoudige zin.
- Ik lees een boek en jij kijkt televisie. Er zijn twee persoonsvormen. Het voegwoord en verbindt twee hoofdzinnen, dus het is nevenschikking.
- Het regent, dus ik blijf thuis. Twee hoofdzinnen, verbonden door dus. Beide zouden ook los kunnen staan.
- Ik blijf thuis omdat het regent. Hier is omdat het regent een bijzin bij de hoofdzin, dus het is onderschikking.
- De man die naast mij woont, is dokter. De persoonsvormen zijn woont en is. De bijzin met die hoort bij de man.
- Ik pak mijn jas en ga naar buiten. Twee persoonsvormen (pak en ga) met één onderwerp. Dit is een samengetrokken zin.
- Ik blijf thuis omdat het regent, maar jij gaat naar buiten. Een combinatie: een hoofdzin met een bijzin, gevolgd door maar en een tweede hoofdzin.
- Toen ik thuiskwam, zat de kat op de bank. De bijzin staat voorop. De persoonsvormen zijn kwam en zat.
Zoals je ziet, helpt het tellen van de persoonsvormen altijd. Daarna kijk je naar het woord dat de delen verbindt.
Zo ontleed je een samengestelde zin
Een samengestelde zin lijkt op het eerste gezicht lastig, maar je kunt hem in een paar stappen uit elkaar halen.
- Zoek alle persoonsvormen. Verander de tijd van de zin en kijk welke werkwoorden meeveranderen. Elke persoonsvorm hoort bij een eigen deelzin. In Ik lees en jij kijkt zijn dat lees en kijkt.
- Zoek bij elke persoonsvorm het onderwerp en het gezegde. Zo krijg je per deelzin een duidelijk beeld van wat erbij hoort.
- Zoek het woord dat de delen verbindt. Is dat en, maar, of, want of dus, dan is het nevenschikking. Is het omdat, dat, als, hoewel, een betrekkelijk voornaamwoord of een vraagwoord, dan is het onderschikking.
- Bepaal welke deelzin de hoofdzin is. De hoofdzin kan op zichzelf staan. De bijzin kan dat niet, en hij heeft zijn persoonsvorm achteraan.
Het helpt ook om naar de komma's te kijken. Een komma staat vaak op de plek waar twee deelzinnen elkaar raken, zoals in Als het regent, blijf ik thuis. Een komma is geen garantie, want bij korte deelzinnen met en ontbreekt hij vaak. Tel daarom altijd eerst de persoonsvormen. Dan weet je zeker uit hoeveel deelzinnen de zin bestaat. Oefen dit met zinnen uit een krant of boek, dan wordt het snel een vaste gewoonte.
Veelgestelde vragen
Wat is het verschil tussen een enkelvoudige en een samengestelde zin?
Een enkelvoudige zin heeft één persoonsvorm en dus één gezegde, zoals in Ik lees een boek. Een samengestelde zin heeft twee of meer persoonsvormen, zoals in Ik lees een boek en jij kijkt televisie. Het verschil is dus te vinden door de persoonsvormen te tellen. Bij een samengestelde zin bestaat de zin uit meerdere deelzinnen, die los van elkaar of samen met een bijzin kunnen werken. Een lange zin hoeft overigens niet samengesteld te zijn, als er maar één persoonsvorm in staat.
Wat is een samengetrokken zin?
Een samengetrokken zin is een zin waarin twee deelzinnen een deel gemeen hebben dat maar één keer wordt genoemd. In Ik pak mijn jas en ga naar buiten hoort het onderwerp ik bij beide persoonsvormen. Zulke zinnen zijn samengesteld, omdat er twee persoonsvormen in staan. Zo voorkom je dat je steeds dezelfde woorden herhaalt.
Is een zin met een bijzin altijd een samengestelde zin?
Ja, in de meeste gevallen wel. Een bijzin heeft een eigen persoonsvorm, en dus heeft de hele zin er minstens twee. In Ik blijf thuis omdat het regent zijn dat blijf en regent. Zo'n zin is samengesteld, ook al bestaat de bijzin uit maar een paar woorden. Het is een samengestelde zin met onderschikking, want de bijzin hangt af van de hoofdzin. Bij nevenschikking zijn er twee hoofdzinnen, bij onderschikking een hoofdzin en een bijzin.