Betrekkelijk voornaamwoord: uitleg, die en dat, wie en wat
Een betrekkelijk voornaamwoord, zoals die, dat, wie of wat, leidt een bijzin in en verwijst naar een woord eerder in de zin. Je leest hier wanneer je welk voornaamwoord gebruikt, hoe je een betrekkelijke bijzin herkent en welke fouten je kunt voorkomen. Met duidelijke voorbeelden zie je meteen hoe het in een zin werkt.
Door Maarten Soetens
Wat is een betrekkelijk voornaamwoord?
Een betrekkelijk voornaamwoord is een voornaamwoord dat een bijzin inleidt en terugverwijst naar een woord eerder in de zin. Dat woord heet het antecedent. In De man die naast ons woont, is dokter is die het betrekkelijk voornaamwoord en de man het antecedent. De bijzin die naast ons woont heet een betrekkelijke bijzin. Hij vertelt meer over het antecedent.
Dit zijn de belangrijkste vormen:
- die, na een de-woord of een meervoud: de fiets die, de kinderen die;
- dat, na een het-woord in het enkelvoud: het huis dat;
- wat, na woorden als alles, iets en niets of na een hele zin: alles wat je zegt;
- wie, als er geen antecedent is, of na een voorzetsel bij personen: Wie dit leest, is slim, de man met wie ik werk;
- waar plus voorzetsel, bij zaken: de pen waarmee ik schrijf.
In de betrekkelijke bijzin staat de persoonsvorm achteraan, zoals in elke bijzin. De bijzin kan midden in de hoofdzin staan: Het huis dat ik kocht, is oud. Ze kan ook aan het einde staan: Ik ken de vrouw die daar woont. Zonder betrekkelijk voornaamwoord zou je twee losse zinnen moeten schrijven, en die klinken minder vloeiend. Betrekkelijke bijzinnen maken je zinnen compacter en daardoor prettiger om te lezen. Het voornaamwoord vormt de schakel tussen het antecedent en de bijzin.
Voorbeelden van betrekkelijke voornaamwoorden
In de volgende zinnen staat steeds een betrekkelijk voornaamwoord. Bij elk voorbeeld lees je waarom juist dit woord wordt gebruikt.
- De fiets die ik gekocht heb, is nieuw. Het antecedent fiets is een de-woord, dus gebruik je die.
- Het huis dat naast het park staat, is te koop. Het antecedent huis is een het-woord in het enkelvoud, dus gebruik je dat.
- De kinderen die buiten spelen, zijn mijn buren. Bij een meervoud gebruik je altijd die.
- Het meisje dat daar staat, is mijn nicht. Het antecedent meisje is een het-woord, dus gebruik je dat.
- De mensen over wie ik sprak, komen morgen. Bij personen na een voorzetsel gebruik je wie, hier over wie.
- Alles wat je zegt, klopt. Na het onbepaald voornaamwoord alles gebruik je wat.
- De man met wie ik werk, is aardig. Bij een persoon na een voorzetsel gebruik je wie.
- De pen waarmee ik schrijf, is van mijn vader. Bij een zaak gebruik je waar plus voorzetsel, hier waarmee.
- Hij kwam te laat, wat mij verbaasde. Het woord wat verwijst hier naar de hele hoofdzin en niet naar één woord.
In elke betrekkelijke bijzin staat de persoonsvorm achteraan, zoals bij elke bijzin het geval is. Let bij elk voorbeeld op het antecedent, want dat bepaalt welk voornaamwoord je kiest.
Veelgemaakte fouten en een handige test
De meeste fouten ontstaan bij de keuze tussen die en dat. De regel is eenvoudig: kijk naar het antecedent. Is het een de-woord of een meervoud, dan gebruik je die. Is het een het-woord in het enkelvoud, dan gebruik je dat. Je schrijft dus het huis dat en niet het huis die, en de huizen die en niet de huizen dat.
Een tweede verwarring ontstaat met het aanwijzend voornaamwoord. Ook die en dat kunnen aanwijzend zijn: Die man woont naast ons. Hier is die geen betrekkelijk voornaamwoord, want er volgt geen bijzin. Een betrekkelijk voornaamwoord herken je doordat het een bijzin inleidt met de persoonsvorm achteraan.
Houd rekening met deze punten:
- Na een voorzetsel gebruik je bij personen wie: de vriend met wie ik reis.
- Bij zaken gebruik je waar plus voorzetsel: het boek waarover ik las.
- Na alles, iets en niets gebruik je wat.
Twijfel je tussen die en dat? Kijk naar het antecedent en zet het zelf in een zin met een lidwoord. Zie je het, dan hoort er dat bij. Zie je de of een meervoud, dan hoort er die bij. Zo hoef je de regel niet te onthouden, maar kun je hem steeds opnieuw afleiden. Probeer het ook uit met je eigen zinnen om de regel te onthouden.
Veelgestelde vragen
Wanneer gebruik je die en wanneer dat?
Dat hangt af van het woord waarnaar je verwijst. Bij een de-woord en bij een meervoud gebruik je die. Bij een het-woord in het enkelvoud gebruik je dat. Je schrijft dus de tafel die, de tafels die en het huis dat. Let wel op het meervoud van een het-woord: dat krijgt toch die, zoals in de huizen die.
Wat is het verschil tussen een betrekkelijk en een aanwijzend voornaamwoord?
Een aanwijzend voornaamwoord wijst een persoon of zaak aan, zoals die in Die man woont naast ons. Een betrekkelijk voornaamwoord leidt een bijzin in en verwijst terug naar een woord eerder in de zin. Kijk of er een bijzin volgt met de persoonsvorm achteraan. Zo ja, dan is het woord betrekkelijk. Zo nee, dan is het meestal aanwijzend.
Wanneer gebruik je wat in plaats van dat?
Je gebruikt wat na onbepaalde woorden als alles, iets en niets. Dus alles wat je zegt en niet alles dat je zegt. Ook verwijst wat naar een hele zin, zoals in Hij kwam te laat, wat mij verbaasde. Een het-woord als antecedent krijgt dat, zoals in het boek dat ik las. Bij twijfel kijk je of het antecedent een duidelijk woord is of een onbepaald voornaamwoord.