Onregelmatige werkwoorden: uitleg en overzicht
Onregelmatige werkwoorden vormen hun tijden niet volgens de gewone regels voor zwakke of sterke werkwoorden. Het gaat om veelgebruikte werkwoorden als zijn, hebben, gaan en kunnen. Op deze pagina zie je welke werkwoorden dat zijn, hoe hun vormen eruitzien en hoe je ze makkelijker onthoudt. Ook leggen we uit waarom de naam niet overal hetzelfde wordt gebruikt.
Door Maarten Soetens
Wat onregelmatige werkwoorden zijn
Onregelmatige werkwoorden zijn werkwoorden waarvan de vormen niet te voorspellen zijn met de gewone regels. Bij een gewoon zwak werkwoord als werken kun je de verleden tijd en het voltooid deelwoord afleiden: werkte en gewerkt. Bij een onregelmatig werkwoord werkt dat niet. Je moet de vormen leren.
Een voorbeeld laat het verschil zien. De verleden tijd van lopen is liep, een vast patroon bij sterke werkwoorden. De verleden tijd van zijn is was, en die vorm heeft niets meer met de infinitief gemeen.
Er is geen vaste definitie die in elke grammatica hetzelfde is. Sommige boeken noemen alle sterke werkwoorden onregelmatig, andere reserveren de naam voor werkwoorden die ook in de tegenwoordige tijd afwijken. Hier gaat het om werkwoorden die afwijken van de gewone regels, vooral de veelgebruikte werkwoorden die ook als hulpwerkwoord dienen.
Je herkent ze vaak aan een of meer van deze kenmerken:
- de tegenwoordige tijd volgt het patroon niet: ik ben, jij bent, hij is;
- de verleden tijd heeft een heel andere stam: ging bij gaan;
- het voltooid deelwoord past niet bij de infinitief: geweest bij zijn;
- sommige vormen ontbreken, zoals een voltooid deelwoord van zullen.
Dit zijn bijna altijd de werkwoorden die je het vaakst gebruikt. Daardoor onthoud je ze vanzelf, als je ze genoeg hoort en leest.
Voorbeelden van onregelmatige werkwoorden
Hieronder staan veelgebruikte onregelmatige werkwoorden met hun verleden tijd (enkelvoud en meervoud) en hun voltooid deelwoord.
- zijn – was, waren – geweest: de verleden tijd heeft een andere stam dan de infinitief.
- hebben – had, hadden – gehad: de verleden tijd had lijkt weinig op de infinitief.
- gaan – ging, gingen – gegaan: de verleden tijd lijkt niet op de infinitief.
- doen – deed, deden – gedaan: de klinker wisselt in de verleden tijd en weer in het voltooid deelwoord.
- kunnen – kon, konden – gekund: de tegenwoordige tijd is ik kan en wij kunnen, dus de klinker wisselt ook daar.
- staan – stond, stonden – gestaan: de verleden tijd heeft een o, terwijl de infinitief een aa heeft.
- zullen – zou, zouden: er is geen voltooid deelwoord en ook de tegenwoordige tijd ik zal wijkt af van de infinitief.
- kopen – kocht, kochten – gekocht: de stam krijgt een andere klinker en een ch, in de verleden tijd en in het voltooid deelwoord.
- weten – wist, wisten – geweten: de verleden tijd heeft geen -te of -de, maar een andere stam.
- brengen – bracht, brachten – gebracht: dezelfde vorm voor de verleden tijd en het voltooid deelwoord, met een nieuwe stam.
Bij elk werkwoord valt iets op wat niet in een regel past. Dat is precies waarom je ze apart moet leren.
Zo onthoud je onregelmatige werkwoorden
Onregelmatige werkwoorden vragen oefening, maar je kunt het jezelf makkelijker maken. Leer ze nooit allemaal tegelijk. Begin met de werkwoorden die je het vaakst gebruikt, zoals zijn, hebben, gaan, doen, kunnen en willen. Deze komen in bijna elke tekst voor.
Groepeer werkwoorden die op elkaar lijken. Brengen, denken, kopen en zoeken hebben bijvoorbeeld in de verleden tijd en het voltooid deelwoord dezelfde stam: bracht – gebracht, dacht – gedacht, kocht – gekocht, zocht – gezocht. Als je het patroon kent, onthoud je er vier in één keer.
Let op drie vormen:
- de infinitief (gaan);
- de verleden tijd (ging, gingen);
- het voltooid deelwoord (gegaan).
Schrijf ze in een lijstje, lees ze hardop en maak er eigen zinnen mee. Controleer in je eigen teksten de onregelmatige vormen apart. Fouten als ‘ik gingen’ of ‘hij heeft gegaan’ vallen zo meteen op, want juist is ik ging en hij is gegaan. Zo leer je door fouten te herkennen.
Wees voorzichtig met gokken op basis van een regel. Je zou bij denken de vorm ‘denkte’ verwachten, maar het is dacht. Zulke vormen leer je het best als vaste combinatie van infinitief, verleden tijd en voltooid deelwoord.
Gebruik bij twijfel een woordenboek. Daar staan de vormen van onregelmatige werkwoorden meestal bij het trefwoord. Een lijst op papier of in een app, waarin je zelf werkwoorden toevoegt, helpt ook.
Veelgestelde vragen
Is een onregelmatig werkwoord hetzelfde als een sterk werkwoord?
Niet precies, al lopen de begrippen door elkaar. Een sterk werkwoord heeft een vast patroon met klinkerwisseling, zoals zingen – zong – gezongen. Een onregelmatig werkwoord wijkt ook in andere opzichten af, bijvoorbeeld in de tegenwoordige tijd, zoals zijn. Sommige grammatica’s rekenen alle sterke werkwoorden tot de onregelmatige werkwoorden. Kijk dus in je eigen leerboek welke indeling gebruikt wordt.
Welke werkwoorden zijn onregelmatig?
Er is geen vaste lijst, maar een aantal werkwoorden staat in vrijwel elke lijst. Dat zijn zijn, hebben, gaan, staan, doen, zullen, kunnen, willen en weten. Ook brengen, denken, kopen en zoeken horen er vaak bij. Het zijn meestal oude, veelgebruikte werkwoorden. Nieuwe werkwoorden zijn bijna nooit onregelmatig.
Waarom is zijn zo onregelmatig?
Het werkwoord zijn is door de eeuwen heen gevormd uit stukken van meerdere oudere werkwoorden. Daardoor hebben ben, is, was en geweest niets met elkaar te maken qua stam. Dat zie je ook in veel andere talen, zoals het Engels met am, is, was en been. Werkwoorden die zo vaak gebruikt worden, houden hun oude vormen langer vast. Het gevolg is dat je ze gewoon moet leren.