Naar de inhoud

Gezegde: werkwoordelijk en naamwoordelijk uitgelegd

Het gezegde is het zinsdeel dat zegt wat het onderwerp doet, is of wordt. Het bevat altijd de persoonsvorm. Op deze pagina lees je wat het gezegde is, wat het verschil is tussen een werkwoordelijk en een naamwoordelijk gezegde en hoe je het gezegde in een zin vindt. Met voorbeelden en een paar lastige gevallen.

Door

Wat is het gezegde?

Het gezegde is het zinsdeel dat zegt wat het onderwerp doet, is of wordt. Elke zin heeft een gezegde en het gezegde bevat altijd de persoonsvorm. In De kat slaapt is slaapt het gezegde. In Ik heb gewerkt is heb gewerkt het gezegde, want de persoonsvorm heb en het voltooid deelwoord gewerkt horen bij elkaar.

Je vindt het gezegde in drie stappen.

  • Zoek de persoonsvorm. Zet de zin in een andere tijd of verander het enkelvoud in het meervoud, het werkwoord dat verandert is de persoonsvorm.
  • Zoek de andere werkwoorden in dezelfde zin die bij de persoonsvorm horen, zoals een infinitief of een voltooid deelwoord.
  • Samen vormen ze het gezegde.

Er zijn twee soorten gezegde.

  • Een werkwoordelijk gezegde bestaat alleen uit werkwoorden: De kat slaapt, Ik heb gewerkt, Zij zal moeten komen.
  • Een naamwoordelijk gezegde bestaat uit een koppelwerkwoord en een naamwoordelijk deel, een woord of woordgroep die iets zegt over het onderwerp: De soep is koud. Het gezegde is hier is koud.

Bijwoorden en bepalingen, zoals gisteren of hard, horen niet bij het gezegde. Het gezegde is samen met het onderwerp de kern van elke zin: zonder gezegde heb je geen zin, en zonder onderwerp weet je niet over wie of wat het gaat.

Voorbeelden van het gezegde

In de zinnen hieronder staat het gezegde schuin. Bij elke zin lees je waarom.

  • De kat slaapt. Dit is een werkwoordelijk gezegde met één werkwoord, de persoonsvorm.
  • Ik heb gisteren gewerkt. Het gezegde bestaat uit twee werkwoorden. Het woord gisteren hoort er niet bij.
  • Zij zal morgen moeten komen. Het gezegde bestaat uit drie werkwoorden, met zal als persoonsvorm.
  • De soep is koud. Dit is een naamwoordelijk gezegde, want is is een koppelwerkwoord en koud zegt iets over de soep.
  • Mijn zus wordt lerares. Ook dit is een naamwoordelijk gezegde met wordt als koppelwerkwoord.
  • Ik bel je morgen op. Bij een scheidbaar werkwoord horen beide delen bij het gezegde, ook al staan ze ver uit elkaar.
  • Het kind wordt door de moeder geroepen. Dit is een werkwoordelijk gezegde in de lijdende vorm.
  • Hij lijkt moe. Het koppelwerkwoord lijkt en het naamwoordelijk deel moe vormen samen het gezegde.
  • Wij hebben de taart opgegeten. Het gezegde bestaat uit de persoonsvorm hebben en het voltooid deelwoord opgegeten, ook al staat er een lijdend voorwerp tussen.
  • Zij kan goed zwemmen. Het gezegde bestaat uit het hulpwerkwoord kan als persoonsvorm en de infinitief zwemmen. Het woord goed hoort er niet bij.

Het gezegde bestaat dus niet altijd uit één woord. Soms staan de delen naast elkaar en soms staat er van alles tussen.

Zo vind je het gezegde in lastige zinnen

In korte zinnen is het gezegde snel te vinden. In langere zinnen letten we op een paar punten.

  • Begin altijd bij de persoonsvorm. Verander de zin naar het meervoud of de verleden tijd: De honden blaffen wordt De hond blaft en Ik loop wordt Ik liep. Het woord dat verandert is de persoonsvorm.
  • Zoek de rest van het gezegde. Zinsdelen als gisteren, hard en in de tuin zeggen iets over tijd, wijze of plaats en horen niet bij het gezegde. In Hij heeft de hele dag hard gewerkt is het gezegde heeft gewerkt.
  • Let op scheidbare werkwoorden. In Ik bel je morgen op vormen bel en op samen het gezegde.
  • Een bijzin heeft een eigen gezegde. In Ik denk dat hij komt is denk het gezegde van de hoofdzin en komt het gezegde van de bijzin.
  • Controleer met een andere tijd. Zet de zin in de verleden tijd en kijk welke woorden meeveranderen. Zo zie je ook welke werkwoorden bij elkaar horen, zoals zal komen dat zou komen wordt.

Het gezegde en de persoonsvorm zijn niet hetzelfde. De persoonsvorm is het werkwoord dat verandert met tijd en getal. Het gezegde is de persoonsvorm samen met alle werkwoorden die erbij horen, of samen met het naamwoordelijk deel.

Veelgestelde vragen

Wat is het verschil tussen de persoonsvorm en het gezegde?

De persoonsvorm is één werkwoord, namelijk het werkwoord dat verandert met tijd en getal. Het gezegde is de persoonsvorm samen met alle andere werkwoorden die erbij horen. In Ik heb gewerkt is heb de persoonsvorm en heb gewerkt het gezegde. In een zin met één werkwoord, zoals De kat slaapt, vallen de twee samen. Bij een naamwoordelijk gezegde hoort ook het naamwoordelijk deel bij het gezegde.

Wat is een naamwoordelijk gezegde?

Een naamwoordelijk gezegde bestaat uit een koppelwerkwoord en een naamwoordelijk deel. Het koppelwerkwoord is bijvoorbeeld zijn, worden of blijven. Het naamwoordelijk deel is een woord of woordgroep die iets zegt over het onderwerp, zoals koud of lerares. In Mijn zus wordt lerares is wordt lerares het naamwoordelijk gezegde. Je kunt het herkennen aan de vraag of de tweede helft iets vertelt over het onderwerp.

Hoe vind je het gezegde bij een scheidbaar werkwoord?

Bij een scheidbaar werkwoord zoals opbellen staat het eerste deel in de persoonsvorm en het tweede deel vaak achteraan de zin. Samen vormen ze het gezegde. In Ik bel je morgen op is het gezegde dus bel op. In de voltooide tijd wordt het Ik heb je opgebeld, met als gezegde heb opgebeld. Zoek dus altijd naar het losse deel dat verderop in de zin staat.