Enkelvoudige zin: wat is het en hoe herken je die?
Een enkelvoudige zin is een zin met maar één persoonsvorm. Op deze pagina leggen we uit hoe je zulke zinnen herkent, waarin ze verschillen van samengestelde zinnen en waar het vaak misgaat bij het tellen. Met voorbeelden en antwoorden op veelgestelde vragen weet je daarna precies hoe je het aantal gezegdes in een zin bepaalt.
Door Maarten Soetens
Wat een enkelvoudige zin is
Een enkelvoudige zin is een zin met één werkwoordelijk gezegde. Dat betekent dat er in de hele zin maar één persoonsvorm staat. Zo’n zin kan kort zijn, zoals Het regent, maar ook lang, zoals Mijn zus fietst vanmiddag met haar nieuwe vriendin door het park. De lengte zegt dus niets. Het gaat om het aantal persoonsvormen. Op die manier hoef je niet te letten op de lengte van de zin.
De persoonsvorm is het werkwoord dat verandert als je de zin in een andere tijd zet of het onderwerp van enkelvoud in meervoud verandert. Wie die ene persoonsvorm heeft gevonden, ziet meteen of er nog een tweede bij komt. Staat er maar één, dan is de zin enkelvoudig.
Een enkelvoudige zin bestaat uit zinsdelen, zoals:
- een onderwerp (mijn zus);
- een gezegde (fietst);
- soms een lijdend voorwerp, een meewerkend voorwerp of een bijwoordelijke bepaling.
Alles wat bij dat ene gezegde hoort, hoort bij dezelfde enkelvoudige zin. Een zin met een bijzin is niet enkelvoudig, want de bijzin heeft een eigen persoonsvorm. Ook twee hoofdzinnen die met en of maar aan elkaar hangen, vormen samen geen enkelvoudige zin. Die noemen we samengesteld. Het verschil zit dus niet in de lengte, maar in het aantal delen met een eigen persoonsvorm.
Voorbeelden van enkelvoudige zinnen
In de zinnen hieronder staat telkens maar één persoonsvorm. Zo zie je dat lengte en opbouw er niet toe doen.
- De bakker sluit om zes uur. De persoonsvorm is sluit en er is geen tweede gezegde, dus de zin is enkelvoudig.
- Mijn buurman heeft gisteren zijn fiets gerepareerd. Er staan twee werkwoorden, maar alleen heeft is persoonsvorm; gerepareerd hoort bij hetzelfde gezegde.
- Wij willen morgen naar het strand gaan. De persoonsvorm is willen en gaan is een infinitief, dus er is nog steeds één gezegde.
- Anna en Mohammed fietsen samen naar school. Het onderwerp bestaat uit twee personen, maar er is één persoonsvorm: fietsen.
- Regent het morgen? Ook een vraag kan enkelvoudig zijn; de persoonsvorm regent staat dan vooraan.
- De leraar had de toets nog niet nagekeken. De persoonsvorm is had; nagekeken is een voltooid deelwoord en hoort bij hetzelfde gezegde.
- Door de storm viel de stroom uit. De persoonsvorm is viel en uit hoort als deel van het werkwoord erbij, dus er is één gezegde.
- Kom hier! Een bevel met één persoonsvorm en één bijwoordelijke bepaling is ook een enkelvoudige zin.
Bij elke zin werkt dezelfde controle. Zoek de persoonsvorm en kijk of er nog een tweede werkwoord is dat zelf van tijd of getal kan veranderen. Is dat niet zo, dan is de zin enkelvoudig.
Enkelvoudig of samengesteld?
Veel fouten ontstaan doordat mensen het aantal werkwoorden tellen in plaats van het aantal persoonsvormen. Een zin met drie werkwoorden kan toch enkelvoudig zijn, zoals Ik zou het kunnen proberen. Alleen zou is persoonsvorm; kunnen en proberen zijn infinitieven die bij hetzelfde gezegde horen. Hetzelfde geldt voor een voltooid deelwoord, zoals gelezen in Ik heb dat boek gelezen.
Een zin is wel samengesteld als er een tweede persoonsvorm in staat. Dat gebeurt in twee gevallen:
- twee hoofdzinnen worden aan elkaar gekoppeld, bijvoorbeeld met en, maar of want: Ik koop brood en jij haalt de kaas;
- een hoofdzin krijgt een bijzin, bijvoorbeeld met dat, omdat of als: Ik blijf thuis omdat het regent.
Let ook op zinnen waarin het onderwerp niet herhaald wordt, zoals Ik pak mijn jas en ga naar huis. Hier staan twee persoonsvormen, pak en ga, dus de zin is niet enkelvoudig, ook al staat ik maar één keer.
Een samengesteld onderwerp of een opsomming maakt een zin niet samengesteld. In Jan, Piet en Klaas fietsen naar het werk blijft het bij één persoonsvorm.
Een handige controle: laat in gedachten alle zinsdelen weg en houd alleen de werkwoorden over. Haal daarna de infinitieven en deelwoorden weg. Wat overblijft, zijn de persoonsvormen.
Veelgestelde vragen
Is een korte zin altijd een enkelvoudige zin?
Nee, een korte zin is niet altijd enkelvoudig. De zin Ik blijf thuis omdat het regent is kort, maar hij heeft twee persoonsvormen. Het gaat dus niet om het aantal woorden, maar om het aantal persoonsvormen. Omgekeerd kan een hele lange zin wel enkelvoudig zijn, zolang er maar één persoonsvorm in staat.
Hoe tel ik het aantal persoonsvormen in een zin?
Zet de zin in een andere tijd, bijvoorbeeld van tegenwoordige naar verleden tijd. Alle werkwoorden die daarbij van vorm veranderen, zijn persoonsvormen. Je kunt ook het onderwerp van enkelvoud in meervoud zetten en kijken welke werkwoorden meeveranderen. Tel daarna de persoonsvormen. Is het er één, dan is de zin enkelvoudig.
Is een zin met een voegwoord altijd samengesteld?
Niet altijd. Een voegwoord als en kan ook alleen woorden of zinsdelen verbinden, zoals in Anna en Mohammed fietsen. Dan is er nog steeds maar één persoonsvorm en blijft de zin enkelvoudig. Verbindt het voegwoord twee delen die elk een eigen persoonsvorm hebben, dan is de zin wel samengesteld. Kijk dus altijd eerst naar het aantal persoonsvormen en pas daarna naar het voegwoord.