Naar de inhoud

Werkwoordelijk gezegde: uitleg, herkennen en voorbeelden

Een werkwoordelijk gezegde bestaat alleen uit werkwoorden en vertelt wat het onderwerp doet of meemaakt, zoals in ‘De kinderen spelen buiten’. Je leest hier hoe je het herkent, wat het verschil is tussen een enkelvoudig en een samengesteld gezegde en hoe je het onderscheidt van het naamwoordelijk gezegde, met duidelijke voorbeelden.

Door

Wat is een werkwoordelijk gezegde?

Het gezegde zegt wat het onderwerp doet, ondergaat of wat er gebeurt. Bij een werkwoordelijk gezegde bestaat dat gezegde alleen uit werkwoorden, eventueel aangevuld met het vaste deel van een scheidbaar werkwoord. Er komt dus geen naamwoordelijk deel bij. Je krijgt zinnen als De kinderen spelen buiten en Ik heb gisteren gewerkt.

Er zijn twee soorten werkwoordelijke gezegden:

  • Enkelvoudig. Het gezegde bestaat alleen uit de persoonsvorm: Ze loopt.
  • Samengesteld. Het gezegde bestaat uit de persoonsvorm en een of meer andere werkwoordsvormen, zoals een voltooid deelwoord of een infinitief: Ze heeft gelopen. Ze wil lopen.

Een samengesteld gezegde bevat vaak een hulpwerkwoord. Dat is een werkwoord dat samen met een ander werkwoord een gezegde vormt, zoals hebben, zijn, worden, zullen, kunnen, willen, moeten en mogen. Ook bij een scheidbaar werkwoord hoort het losse deel bij het gezegde: Hij ruimt zijn kamer op. Het gezegde is hier ruimt op.

De delen van een samengesteld gezegde staan niet altijd naast elkaar. In Ik heb gisteren de hele dag gewerkt staan er vier woorden tussen heb en gewerkt. Toch vormen ze samen één gezegde. Het gezegde is dus meer dan alleen het werkwoord dat je als eerste ziet. Daarom is het belangrijk om bij het ontleden de hele zin te lezen voordat je het gezegde aanwijst.

Voorbeelden van een werkwoordelijk gezegde

In de volgende zinnen staat steeds een werkwoordelijk gezegde. Bij elk voorbeeld lees je welke woorden erbij horen.

  • De hond blaft. Het gezegde is enkelvoudig: alleen de persoonsvorm blaft.
  • De hond blafte de hele nacht. Ook dit gezegde is enkelvoudig, nu in de verleden tijd.
  • Wij hebben gewandeld. Het gezegde is samengesteld: het hulpwerkwoord hebben met het voltooid deelwoord gewandeld.
  • Zij moet vanavond werken. Het gezegde is samengesteld: moet werken, met een hulpwerkwoord en een infinitief.
  • Hij belt zijn oma elke week op. Het gezegde is belt op, want het losse deel op hoort bij het werkwoord.
  • De brief wordt morgen verstuurd. Het gezegde bestaat uit wordt en het voltooid deelwoord verstuurd.
  • Wij gaan morgen winkelen. Het gezegde is gaan winkelen: de persoonsvorm met een infinitief.
  • Het boek is door mij gelezen. Het gezegde is is gelezen; de woordgroep door mij hoort er niet bij.
  • Ze zou graag willen komen. Hier bestaat het gezegde uit drie werkwoorden: zou willen komen.

Het gezegde bevat dus altijd de persoonsvorm en soms nog meer werkwoorden. Andere woorden, zoals tijdsbepalingen, horen er niet bij. Haal je ze uit de zin, dan blijft het gezegde als kern over. Zo kun je bij elke zin zelf controleren welke woorden wel en welke niet bij het gezegde horen.

Zo vind je het gezegde in een zin

Je vindt het gezegde stap voor stap. Zoek eerst de persoonsvorm. Dat is de werkwoordsvorm die verandert als je de zin in een andere tijd of in het meervoud zet. Bij De kinderen spelen buiten wordt dat De kinderen speelden buiten, dus spelen is de persoonsvorm.

Zoek daarna de andere werkwoorden die bij de persoonsvorm horen:

  • een voltooid deelwoord, zoals gewerkt of verstuurd;
  • een infinitief, zoals werken of komen, na een hulpwerkwoord;
  • het losse deel van een scheidbaar werkwoord, zoals op bij opbellen.

Controleer daarna of er een koppelwerkwoord met een naamwoordelijk deel in de zin staat. Is dat het geval, zoals in De soep is lekker, dan heb je een naamwoordelijk gezegde. Is dat niet zo, dan is het gezegde werkwoordelijk.

Let op: het werkwoord zijn is in een zin als Zij is vertrokken een hulpwerkwoord. Het gezegde is dan werkwoordelijk. Het onderwerp vind je ten slotte met de vraag wie of wat gevolgd door het hele gezegde: Wie of wat is vertrokken? Zij. Klopt de zin dan nog, dan heb je het gezegde en het onderwerp allebei goed aangewezen.

Een tip bij lange zinnen: streep eerst alle bepalingen door, zoals gisteren en de hele dag. Wat overblijft, is makkelijker te ontleden en de werkwoorden springen er dan beter uit.

Veelgestelde vragen

Wat is het verschil tussen een enkelvoudig en een samengesteld gezegde?

Een enkelvoudig gezegde bestaat alleen uit de persoonsvorm, zoals loopt in Ze loopt. Een samengesteld gezegde bestaat uit de persoonsvorm en ten minste één ander werkwoord, zoals heeft gelopen in Ze heeft gelopen. Het tweede werkwoord is een voltooid deelwoord of een infinitief. De onderdelen kunnen ver uit elkaar staan. Samen vormen ze dan toch één gezegde.

Hoe vind je de persoonsvorm in een zin?

Zet de zin in een andere tijd of in het meervoud. De werkwoordsvorm die dan verandert, is de persoonsvorm. Bij Ik loop wordt dat Wij lopen of Ik liep. In een zin met meer werkwoorden verandert alleen de persoonsvorm, bijvoorbeeld Ik heb gelopen wordt Wij hebben gelopen. Het voltooid deelwoord gelopen blijft gelijk.

Hoort het voltooid deelwoord bij het gezegde?

Ja, een voltooid deelwoord hoort bij het gezegde, ook als het ver van de persoonsvorm staat. In De brief wordt morgen verstuurd vormen wordt en verstuurd samen het gezegde. Het deelwoord is geen apart zinsdeel. Hetzelfde geldt voor een infinitief na een hulpwerkwoord, zoals werken in Zij moet werken. Alleen een bijvoeglijk gebruikt deelwoord, zoals in de gebroken vaas, hoort niet bij het gezegde.