Naamwoordelijk gezegde: uitleg, herkennen en voorbeelden
Een naamwoordelijk gezegde bestaat uit een koppelwerkwoord en een naamwoordelijk deel, zoals in ‘De soep is lekker’. Op deze pagina lees je hoe je het herkent, welke koppelwerkwoorden er zijn en hoe het verschilt van een werkwoordelijk gezegde. Duidelijke voorbeelden en veelgestelde vragen helpen je bij het ontleden van zinnen.
Door Maarten Soetens
Wat is een naamwoordelijk gezegde?
Het gezegde is het deel van de zin dat zegt wat er gebeurt of wat er aan de hand is. Bij een naamwoordelijk gezegde bestaat het uit twee delen: een koppelwerkwoord en een naamwoordelijk deel. Het koppelwerkwoord verbindt het onderwerp met het naamwoordelijk deel. Dat deel zegt iets over het onderwerp. In De soep is lekker is is het koppelwerkwoord en lekker het naamwoordelijk deel.
De belangrijkste koppelwerkwoorden zijn zijn, worden, blijven, lijken, schijnen, blijken en heten. Het naamwoordelijk deel is meestal een bijvoeglijk naamwoord of een zelfstandig naamwoord, soms met een of meer woorden erbij.
Enkele zinnen met hun naamwoordelijk deel:
- Mijn zus wordt lerares. Het naamwoordelijk deel is lerares, een zelfstandig naamwoord.
- Het blijft koud. Het naamwoordelijk deel is koud, een bijvoeglijk naamwoord.
- Zij lijkt moe. Het naamwoordelijk deel is moe.
- Hij heet Daan. Het naamwoordelijk deel is de naam Daan.
Het naamwoordelijk deel is geen lijdend voorwerp. Het geeft geen persoon of ding aan waar de handeling op gericht is, maar zegt iets over het onderwerp zelf. Daarom heeft een naamwoordelijk gezegde geen lijdende vorm. Het deel hoort bij het gezegde en is geen apart zinsdeel. Het koppelwerkwoord alleen zegt dus nog niets: pas samen met het naamwoordelijk deel vormt het een volledig gezegde. Haal je het naamwoordelijk deel weg, dan blijft de zin onvolledig.
Voorbeelden van een naamwoordelijk gezegde
In de volgende zinnen staat steeds een naamwoordelijk gezegde. Bij elk voorbeeld lees je welk deel het koppelwerkwoord is en wat het naamwoordelijk deel is.
- De soep is lekker. Het koppelwerkwoord is is en het naamwoordelijk deel is het bijvoeglijk naamwoord lekker.
- Mijn broer wordt arts. De combinatie wordt en arts zegt wat het onderwerp gaat worden.
- Het weer blijft mooi. Het koppelwerkwoord blijft verbindt het onderwerp met mooi.
- De nieuwe collega blijkt erg aardig. Het naamwoordelijk deel is hier de woordgroep erg aardig.
- Zij lijkt vandaag erg moe. Het naamwoordelijk deel is erg moe; het woord vandaag is een bepaling van tijd en hoort er niet bij.
- Het water wordt langzaam warm. Het koppelwerkwoord wordt verbindt het water met warm.
- Onze kat heet Mimi. Het naamwoordelijk deel is de naam Mimi.
- De taart is lekker geworden. Het gezegde bestaat uit is geworden en het naamwoordelijk deel lekker.
- Mijn buurman is de nieuwe voorzitter van de club. Het naamwoordelijk deel kan ook een lange naamwoordgroep zijn.
In alle zinnen kun je de vraag stellen: wat zegt het naamwoordelijk deel over het onderwerp? Telkens geeft het een eigenschap of een rol van het onderwerp, en dat maakt de zin tot een mededeling over wat of hoe iemand of iets is.
Naamwoordelijk of werkwoordelijk gezegde?
Bij het ontleden is het belangrijk om een naamwoordelijk gezegde te onderscheiden van een werkwoordelijk gezegde. Een werkwoordelijk gezegde bestaat alleen uit werkwoorden, zoals in De kinderen spelen buiten. Een naamwoordelijk gezegde heeft altijd een koppelwerkwoord en een naamwoordelijk deel.
Let hierbij op deze punten:
- Zijn als hulpwerkwoord. Het werkwoord zijn is niet altijd een koppelwerkwoord. In Zij is vertrokken is is een hulpwerkwoord bij het voltooid deelwoord vertrokken. Dat is een werkwoordelijk gezegde.
- De vervangtest. Een koppelwerkwoord kun je vaak vervangen door een ander koppelwerkwoord: Hij is ziek wordt Hij wordt ziek of Hij blijft ziek.
- De vraag. Het naamwoordelijk deel beantwoordt de vraag hoe of wat het onderwerp is, wordt of blijft.
Een zin kan ook meerdere werkwoorden hebben en toch een naamwoordelijk gezegde bevatten, zoals Hij is ziek geweest. Het gezegde bestaat dan uit is geweest en het naamwoordelijk deel ziek. De persoonsvorm is past zich net als bij elk gezegde aan het onderwerp aan. Zoek dus eerst de persoonsvorm en kijk dan of er een naamwoordelijk deel bij hoort.
Een tip bij twijfel: haal alle bepalingen uit de zin. Blijft er een kern over van onderwerp, koppelwerkwoord en naamwoordelijk deel, dan heb je een naamwoordelijk gezegde.
Veelgestelde vragen
Welke werkwoorden zijn koppelwerkwoorden?
De belangrijkste koppelwerkwoorden zijn zijn, worden, blijven, lijken, schijnen, blijken en heten. Ze verbinden het onderwerp met een naamwoordelijk deel. Zo’n deel is meestal een bijvoeglijk naamwoord of een zelfstandig naamwoord. Een koppelwerkwoord zegt zelf weinig, het gaat om de combinatie met het naamwoordelijk deel. Let wel op dat niet elk gebruik van zijn een koppelwerkwoord is.
Is zijn altijd een koppelwerkwoord?
Nee, zijn is niet altijd een koppelwerkwoord. In Zij is vertrokken is is een hulpwerkwoord, want het hoort bij het voltooid deelwoord vertrokken. Dat levert een werkwoordelijk gezegde op. In Zij is moe is is wel een koppelwerkwoord, want moe zegt iets over het onderwerp. Kijk dus altijd naar de rest van de zin.
Wat is het verschil tussen een naamwoordelijk deel en een lijdend voorwerp?
Een lijdend voorwerp noemt wie of wat de handeling ondergaat, zoals een boek in Ik lees een boek. Een naamwoordelijk deel zegt iets over het onderwerp zelf, zoals arts in Mijn broer wordt arts. Bij een naamwoordelijk gezegde kun je geen lijdend voorwerp aanwijzen en ook geen lijdende vorm maken. Bovendien noemt het naamwoordelijk deel vaak dezelfde persoon of zaak als het onderwerp. Dat helpt bij het onderscheid.