Directe en indirecte rede: verschil en voorbeelden
Bij directe rede geef je de woorden van iemand letterlijk weer, bij indirecte rede vertel je wat iemand gezegd heeft in een bijzin. Op deze pagina leggen we het verschil uit, laten we zien wat er verandert als je een zin omzet en geven we voorbeelden met uitspraken, vragen en bevelen.
Door Maarten Soetens
Het verschil tussen directe en indirecte rede
Bij directe rede geef je de woorden van iemand precies zo weer als ze gezegd zijn. Je zet ze tussen aanhalingstekens: Jan zegt: „Ik kom morgen.” De lezer ziet dat het om de woorden van Jan zelf gaat. Directe rede zie je vaak in verhalen, interviews en nieuwsberichten. Voor de aanhaling staat meestal een dubbele punt.
Bij indirecte rede vertel je wat iemand heeft gezegd, in je eigen woorden. De woorden van de spreker staan dan in een bijzin zonder aanhalingstekens: Jan zegt dat hij morgen komt. Het werkwoord staat in de bijzin aan het eind.
Bij het omzetten van directe naar indirecte rede verandert er meestal iets:
- De persoon verandert. Ik wordt hij of zij, wij wordt zij of ze.
- De tijd kan veranderen. Staat het verhaal in de verleden tijd, dan verschuift de tegenwoordige tijd van de spreker naar de verleden tijd: Hij zei dat hij kwam.
- Woorden voor tijd en plaats veranderen mee. Morgen wordt de volgende dag, gisteren wordt de dag ervoor en hier wordt daar.
Staat de zin met het zeggen in de tegenwoordige tijd, zoals Jan zegt, dan blijft de tijd gelijk. Je schrijft dan Jan zegt dat hij morgen komt. Een bijzin met dat is de gewone vorm, maar bij een vraag gebruik je een bijzin met of, zoals in Jan vroeg of ik kwam.
Voorbeelden van directe en indirecte rede
Hieronder staat steeds de directe rede en daarna de indirecte rede. Let op wat er verandert.
- Sara zei: „Ik ben moe.” – Sara zei dat ze moe was. Ik wordt ze en de tegenwoordige tijd ben wordt de verleden tijd was.
- „Wij gaan morgen naar Parijs,” vertelde Tom. – Tom vertelde dat ze de volgende dag naar Parijs gingen. Morgen wordt de volgende dag.
- „Waar woon je?” vroeg Lisa. – Lisa vroeg waar ik woonde. Bij een vraag met een vraagwoord blijft dat vraagwoord staan.
- „Kom je morgen?” vroeg de buurman. – De buurman vroeg of ik de volgende dag kwam. Een ja-neevraag wordt een bijzin met of.
- „Ik heb gisteren gewerkt,” zei Mo. – Mo zei dat hij de dag ervoor had gewerkt. De verleden tijd wordt de voltooid verleden tijd en gisteren wordt de dag ervoor.
- „Kom hier!” riep de juf. – De juf riep dat ik moest komen. Een bevel wordt een bijzin met een hulpwerkwoord als moeten.
- De trainer zegt: „Ik verwacht jullie om negen uur.” – De trainer zegt dat hij ons om negen uur verwacht. De tegenwoordige tijd blijft hier gelijk, want zegt staat ook in de tegenwoordige tijd.
Je ziet dat de indirecte rede altijd een bijzin is. Daardoor staat het werkwoord achteraan en vervallen de aanhalingstekens.
Waarop let je bij het omzetten?
Het omzetten van directe naar indirecte rede lijkt makkelijk, maar er gaat vaak iets mis. Loop daarom een korte controlelijst langs.
- Pas het voornaamwoord aan. Een spreker die over zichzelf praat met ik, wordt in jouw verhaal hij of zij. Zegt de spreker tegen jou jij, dan wordt dat in jouw verhaal ik.
- Controleer de tijd. Bij een verhaal in de verleden tijd gaat de tegenwoordige tijd van de spreker naar de verleden tijd. De verleden tijd van de spreker wordt vaak de voltooid verleden tijd: „Ik kwam gisteren” wordt Hij zei dat hij de dag ervoor was gekomen.
- Pas tijd- en plaatsaanduidingen aan. Vandaag wordt die dag en hier wordt daar.
- Kies het juiste voegwoord. Een mededeling krijgt dat, een ja-neevraag krijgt of, een vraag met een vraagwoord behoudt dat vraagwoord.
Laat de aanhalingstekens en het uitroepteken van de directe rede weg. Een vraagteken blijft staan als je zin zelf een vraag is, maar niet als de indirecte rede een mededeling is: Ze vroeg of ik kwam.
Soms gebruik je ook zou voor de toekomst: Hij zei dat hij zou komen. Controleer ten slotte of de zin nog klopt. Klinkt hij als een gewone Nederlandse zin, met het werkwoord aan het eind van de bijzin?
Veelgestelde vragen
Wanneer gebruik je aanhalingstekens bij directe rede?
Je gebruikt aanhalingstekens bij directe rede, dus bij de woorden die iemand letterlijk heeft gezegd. In de indirecte rede zet je ze niet. Een aanhaling die als volledige zin wordt gezegd, begint met een hoofdletter. Staat de aanhaling vooraan, dan komt het zeggende deel erachter, zoals in „Ik kom morgen,” zei Jan. Staat het zeggende deel vooraan, dan zet je een dubbele punt voor de aanhaling.
Verandert de tijd altijd bij indirecte rede?
Nee, de tijd verandert niet altijd. Staat het zeggende deel in de tegenwoordige tijd, zoals Jan zegt, dan blijft de tijd van de uitspraak gelijk. Staat het zeggende deel in de verleden tijd, zoals Jan zei, dan schuift de tegenwoordige tijd naar de verleden tijd. Ook is soms de tegenwoordige tijd mogelijk om aan te geven dat iets nog steeds waar is. Bijvoorbeeld: Hij zei dat de aarde rond is.
Hoe maak je een vraag of bevel indirect?
Bij een vraag zonder vraagwoord gebruik je of. „Kom je morgen?” wordt dan Hij vroeg of ik de volgende dag kwam. Bij een vraag met een vraagwoord blijft dat vraagwoord staan: „Waar woon je?” wordt Zij vroeg waar ik woonde. Een bevel maak je indirect met dat en een hulpwerkwoord, zoals moeten. Het vraagteken en het uitroepteken verdwijnen in de bijzin. Het werkwoord staat in de bijzin aan het eind.