Sterke en zwakke werkwoorden: het verschil uitgelegd
Sterke en zwakke werkwoorden verschillen in de manier waarop ze de verleden tijd en het voltooid deelwoord vormen. Zwakke werkwoorden doen dat met -te of -de, sterke met een andere klinker. Op deze pagina leggen we het verschil uit, geven we voorbeelden en laten we zien waar de uitzonderingen zitten.
Door Maarten Soetens
Het verschil tussen sterk en zwak
Werkwoorden worden vaak ingedeeld in sterke en zwakke werkwoorden. Het verschil zie je aan de verleden tijd en aan het voltooid deelwoord.
Bij een zwak werkwoord blijft de klinker in de stam meestal hetzelfde. De verleden tijd krijgt -te of -de en het voltooid deelwoord krijgt ge- met -t of -d. Voorbeeld: werken – werkte – gewerkt. Welke uitgang je kiest, bepaal je met ’t kofschip.
Bij een sterk werkwoord verandert de klinker van de stam in de verleden tijd. Het voltooid deelwoord eindigt op -en en heeft vaak ge-. Voorbeeld: zingen – zong – gezongen. Er komt geen -te of -de bij.
De meeste Nederlandse werkwoorden zijn zwak, en nieuwe werkwoorden zijn bijna altijd zwak: appen – appte – geappt. De sterke werkwoorden vormen een veel kleinere groep. Veel ervan zijn oude en veelgebruikte werkwoorden, zoals komen, nemen, geven en schrijven.
Er is een handige vuistregel. Hoor je in de verleden tijd een andere klinker dan in de infinitief, dan is het werkwoord waarschijnlijk sterk. Blijft de klinker gelijk en komt er -te of -de bij, dan is het zwak. Voor sterke werkwoorden is geen regel; je moet de vormen leren.
Bij een zwak werkwoord kun je de verleden tijd dus afleiden uit de infinitief: fietsen geeft fietste en wandelen geeft wandelde. Bij een sterk werkwoord lukt dat niet, want de nieuwe klinker kun je niet uit de infinitief afleiden.
Voorbeelden van sterke en zwakke werkwoorden
In de lijst zie je telkens de infinitief, de verleden tijd van het enkelvoud en het voltooid deelwoord, met een korte uitleg.
- werken – werkte – gewerkt: zwak, want de klinker blijft gelijk en de verleden tijd krijgt -te.
- wandelen – wandelde – gewandeld: zwak, met -de en -d, omdat de stam op een l eindigt.
- fietsen – fietste – gefietst: zwak, met -te en -t, omdat de stam op een s eindigt.
- zingen – zong – gezongen: sterk, want de klinker verandert van i naar o en het voltooid deelwoord eindigt op -en.
- komen – kwam, kwamen – gekomen: sterk; de klinker wisselt en het voltooid deelwoord eindigt op -en.
- kijken – keek, keken – gekeken: sterk; de klinker wordt langer en er komt geen -te of -de bij.
- nemen – nam – genomen: sterk, met een wisselende klinker in de verleden tijd en in het voltooid deelwoord.
- schrijven – schreef – geschreven: sterk; de klinker verandert van ij naar ee en het voltooid deelwoord eindigt op -en.
- bakken – bakte – gebakken: een gemengd werkwoord, want de verleden tijd is zwak (bakte) en het voltooid deelwoord is sterk (gebakken).
Wie deze voorbeelden naast elkaar legt, ziet dat het verschil zit in de klinker en in de uitgang. Dat zijn de twee dingen waar je op let. Het voltooid deelwoord eindigt bij zwakke werkwoorden op -t of -d en bij sterke op -en.
Uitzonderingen en gemengde werkwoorden
Niet elk werkwoord past netjes in een van de twee groepen. Een aantal werkwoorden heeft een zwakke verleden tijd en een sterk voltooid deelwoord, of andersom. Dat zijn gemengde werkwoorden. Voorbeelden:
- bakken – bakte – gebakken, lachen – lachte – gelachen en wassen – waste – gewassen (zwakke verleden tijd, sterk voltooid deelwoord);
- vragen – vroeg – gevraagd (sterke verleden tijd, zwak voltooid deelwoord).
Gemengde werkwoorden zijn niet af te leiden uit een regel, dus je leert ze het best als losse gevallen. Een woordenboek geeft per werkwoord alle drie de vormen.
Daarnaast zijn er werkwoorden die zo afwijken dat ze een eigen groep vormen, zoals zijn, hebben, gaan en zullen. Die noemen we vaak onregelmatige werkwoorden. Daarover lees je meer op een aparte pagina.
Ook de spelling vraagt aandacht. Bij leven hoor je een f, maar je schrijft leefde en geleefd, met een d. Dat komt doordat je ’t kofschip toepast op de infinitief, waar een v staat. Bij sterke werkwoorden speelt ’t kofschip geen rol, want daar staat in het voltooid deelwoord altijd -en.
Let ook op het verschil tussen enkelvoud en meervoud in de verleden tijd. Bij sterke werkwoorden krijgt het meervoud -en: ik zong, wij zongen. Bij zwakke werkwoorden komt er ook een n bij: ik werkte, wij werkten. De klinker van de stam verandert daarbij niet meer; alleen de uitgang is anders.
Veelgestelde vragen
Hoe weet ik of een werkwoord sterk of zwak is?
Kijk naar de verleden tijd. Verandert de klinker van de stam, zoals bij zingen – zong, dan is het werkwoord sterk. Komt er -te of -de achter de stam, zoals bij werken – werkte, dan is het zwak. Het voltooid deelwoord helpt ook: eindigt het op -en, dan is het meestal sterk. Twijfel je, dan zoek je het werkwoord op in een woordenboek of een lijst met sterke werkwoorden.
Waarom zijn nieuwe werkwoorden altijd zwak?
Nieuwe werkwoorden volgen het gewone, productieve patroon en dat is het zwakke patroon. Het sterke patroon is niet meer productief, dus er komen vrijwel geen nieuwe sterke werkwoorden bij. Daarom zeg je googelen – googelde – gegoogeld en appen – appte – geappt. Een nieuw werkwoord met een klinkerwisseling, zoals ‘appen – op’, zou raar klinken. Bij oudere werkwoorden hoor je het sterke patroon nog wel.
Is komen een sterk werkwoord?
Ja, komen is een sterk werkwoord. De klinker verandert in de verleden tijd: komen – kwam – gekomen. Het voltooid deelwoord eindigt op -en en er komt geen -te of -de bij. Je schrijft dus nooit ‘gekomt’ of ‘komde’. Bij sterke werkwoorden kun je de vorm niet afleiden uit een regel.