Naar de inhoud

Bepaling in een zin: soorten, uitleg en voorbeelden

Een bepaling is een zinsdeel, of een deel van een zinsdeel, dat extra informatie geeft over de handeling of over een zelfstandig naamwoord. Je leest hier welke soorten bepalingen er zijn, zoals de bijwoordelijke en de bijvoeglijke bepaling, hoe je ze herkent met vragen en welke valkuilen er bij het ontleden zijn.

Door

Wat is een bepaling?

Een bepaling vertelt je iets extra’s. Het is geen onderdeel dat het werkwoord nodig heeft, zoals een onderwerp of een lijdend voorwerp, maar een aanvulling op de zin. Neem de zin De kat slaapt. Met een bepaling kun je meer vertellen: De kat slaapt de hele dag op de bank. Nu weet je wanneer en waar de kat slaapt. Haal je die woorden weg, dan blijft de zin grammaticaal kloppen.

Bepalingen maken je taal rijker en preciezer. Zonder bepalingen zou elke zin alleen uit een onderwerp, een gezegde en eventueel een voorwerp bestaan.

Er zijn drie soorten bepalingen:

  • Bijwoordelijke bepaling. Die zegt iets over de handeling, zoals wanneer, waar, hoe of waarom iets gebeurt: Ze fietst elke dag naar school.
  • Bijvoeglijke bepaling. Die hoort bij een zelfstandig naamwoord en maakt dit nader duidelijk. Het kan een bijvoeglijk naamwoord, een voorzetselgroep of een bijzin zijn: de rode fiets, de fiets in de schuur, de fiets die ik kocht.
  • Bepaling van gesteldheid. Die zegt in welke toestand iemand of iets verkeert terwijl de handeling plaatsvindt: Hij kwam moe thuis.

Een bijwoordelijke bepaling is een zelfstandig zinsdeel. Een bijvoeglijke bepaling is dat niet: die maakt deel uit van een ander zinsdeel, het zinsdeel waar het zelfstandig naamwoord in staat. Dat verschil is belangrijk bij het ontleden.

Voorbeelden van bepalingen

In de volgende zinnen staat steeds een bepaling. Bij elk voorbeeld lees je welke dat is en om welke soort het gaat.

  • Gisteren heb ik gezwommen. Het woord gisteren is een bijwoordelijke bepaling van tijd, het antwoord op de vraag ‘wanneer?’.
  • Hij woont in Utrecht. De woordgroep in Utrecht is een bijwoordelijke bepaling van plaats, het antwoord op ‘waar?’.
  • Ze praat zacht. Het woord zacht is een bijwoordelijke bepaling van wijze, het antwoord op ‘hoe?’.
  • Hij bleef thuis, omdat hij ziek was. De bijzin is een bijwoordelijke bepaling van reden, het antwoord op ‘waarom?’.
  • Ik open de deur met een sleutel. De woordgroep met een sleutel is een bijwoordelijke bepaling van middel, het antwoord op ‘waarmee?’.
  • De rode fiets is van mij. Het woord rode is een bijvoeglijke bepaling, want het hoort bij het zelfstandig naamwoord fiets.
  • Hij kwam moe thuis. Het woord moe is een bepaling van gesteldheid: het zegt hoe hij was toen hij thuiskwam.
  • De fiets in de schuur is van mijn vader. De woordgroep in de schuur is een bijvoeglijke bepaling, want hij hoort bij het zelfstandig naamwoord fiets.

Sommige zinnen hebben meer dan één bepaling, en dat is volkomen normaal. Je kunt ze allemaal apart benoemen, zolang je steeds de juiste vraag stelt.

Zo vind je de bepaling in een zin

Je vindt bepalingen het makkelijkst als je eerst de belangrijkste zinsdelen aanwijst. Zoek de persoonsvorm en het gezegde, daarna het onderwerp, en vervolgens de voorwerpen. Wat dan overblijft, is vaak een bijwoordelijke bepaling.

Stel daarna een van deze vragen om de soort te bepalen:

  • Wanneer? Dan is het een bepaling van tijd: Morgen regent het.
  • Waar? Dan is het een bepaling van plaats: Ze zit in de tuin.
  • Hoe? Dan is het een bepaling van wijze: Hij werkt snel.
  • Waarom? Dan is het een bepaling van reden: Wegens ziekte bleef ze thuis.
  • Waarmee? Dan is het een bepaling van middel: Ik schrijf met een pen.
  • Waarvoor of met welk doel? Dan is het een bepaling van doel: Hij oefent om beter te worden.

Een bijwoordelijke bepaling kun je vaak naar voren verplaatsen of weglaten, zonder dat de zin ongrammaticaal wordt. Dat geldt niet voor een voorzetselvoorwerp: bij Ik wacht op de bus hoort op de bus vast bij het werkwoord. Let hier goed op. Een bijvoeglijke bepaling vind je door te zoeken naar woorden die iets zeggen over een zelfstandig naamwoord.

Een bijwoordelijke bepaling kan ook uit een bijzin bestaan. Dan stel je de vraag aan de hele bijzin, bijvoorbeeld ‘waarom blijft hij thuis?’ met het antwoord ‘omdat hij ziek is’.

Veelgestelde vragen

Wat is het verschil tussen een bepaling en een voorwerp?

Een voorwerp wordt gevraagd door het werkwoord. Bij geven hoort bijvoorbeeld iets wat je geeft en iemand aan wie je het geeft. Een bepaling is een extra gegeven dat de zin aanvult, maar waar het werkwoord niet om vraagt. Vergelijk Ik lees een boek met Ik lees op de bank. Het eerste groepje is een lijdend voorwerp, het tweede een bepaling van plaats.

Kan een zin meer dan één bepaling hebben?

Ja, een zin kan meerdere bepalingen hebben. In Gisteren heb ik thuis snel gegeten staan er drie: gisteren, thuis en snel. Elke bepaling geeft een ander soort informatie, namelijk tijd, plaats en wijze. Ze zijn onafhankelijk van elkaar en je kunt ze afzonderlijk weglaten. Alleen de volgorde in de zin verandert soms als je er een naar voren haalt.

Is een bijzin ook een bepaling?

Ja, een bijzin kan een bepaling zijn. In Ik blijf thuis, omdat het regent is de bijzin een bijwoordelijke bepaling van reden. In De man die daar staat, is mijn buurman is de bijzin een bijvoeglijke bepaling, want hij hoort bij het zelfstandig naamwoord man. Je herkent het soort aan de vraag die de bijzin beantwoordt. Dat een bepaling uit meerdere woorden bestaat, verandert er dus niets aan.