Wederkerend voornaamwoord: uitleg, zich en zichzelf
Een wederkerend voornaamwoord, zoals me, je, zich of ons, verwijst terug naar het onderwerp van dezelfde zin, bijvoorbeeld in ‘Ik was me’ of ‘Hij schaamt zich’. Je leest welke vormen er zijn, wanneer je zichzelf gebruikt, welke werkwoorden altijd een wederkerend voornaamwoord nodig hebben en wat het verschil is met elkaar.
Door Maarten Soetens
Wat is een wederkerend voornaamwoord?
Een wederkerend voornaamwoord is een voornaamwoord dat terugverwijst naar het onderwerp van dezelfde zin. Onderwerp en voornaamwoord zijn dezelfde persoon of zaak: de handeling keert als het ware terug naar degene die haar uitvoert. In Hij wast zich zijn hij en zich dezelfde persoon.
De vorm hangt af van het onderwerp:
- ik: me, mezelf;
- jij: je, jezelf;
- u: zich, uzelf;
- hij, zij, het: zich, zichzelf;
- wij: ons, onszelf;
- zij (meervoud): zich, zichzelf.
Het wederkerend voornaamwoord kan als lijdend voorwerp dienen, zoals in Ik was me, maar ook als meewerkend voorwerp: Zij kocht zich een nieuwe jas. Het staat altijd in dezelfde zin als het onderwerp waar het naar verwijst.
De korte vormen me, je, zich en ons zijn de gewone vormen. Met -zelf leg je nadruk of maak je een tegenstelling: Hij praat tegen zichzelf. Na een voorzetsel kom je de vorm met -zelf ook vaak tegen: Ze heeft vertrouwen in zichzelf.
Bij de derde persoon is zich de enige correcte vorm als het voornaamwoord naar het onderwerp terugverwijst. Je zegt dus Hij wast zich en niet Hij wast hem. Verwijst het voornaamwoord naar iemand anders dan het onderwerp, dan gebruik je een gewoon persoonlijk voornaamwoord: Hij wast hem. Het onderscheid zit dus in de verwijzing en niet in het werkwoord.
Voorbeelden van een wederkerend voornaamwoord
In de volgende zinnen staat steeds een wederkerend voornaamwoord. Bij elk voorbeeld lees je waarom die vorm wordt gebruikt.
- Ik was me elke ochtend. Bij het onderwerp ik gebruik je me.
- Jij verveelt je. Bij het onderwerp jij gebruik je je.
- Hij schaamt zich. Bij hij, zij en het gebruik je zich.
- Wij haasten ons. Bij het onderwerp wij gebruik je ons.
- De kinderen vermaken zich. Ook bij een meervoud in de derde persoon gebruik je zich.
- Zij kijkt naar zichzelf in de spiegel. Hier legt zichzelf extra nadruk op de persoon zelf.
- Ik heb me vergist. Bij het echt wederkerende werkwoord zich vergissen hoort bij ik het voornaamwoord me.
- Je moet jezelf niet overschatten. Hier legt jezelf de nadruk op de persoon zelf.
- Zij verheugt zich op de vakantie. Bij zich verheugen hoort zich, gevolgd door het voorzetselvoorwerp op de vakantie.
- Hij trok de deur achter zich dicht. Na het voorzetsel achter verwijst zich naar het onderwerp hij.
In al deze zinnen verwijst het voornaamwoord naar hetzelfde als het onderwerp. Verwijst het naar iemand anders, dan is het geen wederkerend voornaamwoord meer. Vergelijk Hij wast zich met Hij wast hem: in de tweede zin gaat het om twee verschillende mannen.
Wederkerende werkwoorden en elkaar
Sommige werkwoorden kunnen niet zonder wederkerend voornaamwoord. Dat zijn echt wederkerende werkwoorden. Voorbeelden zijn zich schamen, zich vergissen, zich haasten en zich verheugen. Je kunt niet zeggen Hij schaamt of Ik vergis. Het voornaamwoord hoort bij het werkwoord en is geen vrij te kiezen zinsdeel. Het past zich wel aan het onderwerp aan: ik schaam me, wij schamen ons.
Bij onecht wederkerende werkwoorden kan het voornaamwoord wel wegvallen. Het werkwoord wassen kan met zich (Hij wast zich), maar ook met een ander voorwerp (Hij wast de auto). Hetzelfde geldt voor scheren en aankleden. Het voornaamwoord vervult dan dezelfde rol als elk ander voorwerp.
Het wederkerend voornaamwoord is iets anders dan elkaar. Dat is een wederkerig voornaamwoord. Vergelijk deze twee zinnen:
- Zij wassen zich. Elk van hen wast zichzelf.
- Zij wassen elkaar. De een wast de ander, en andersom.
Let hier goed op: de betekenis verandert volledig. Het verschil zit dus niet in het werkwoord, maar in wie de handeling ondergaat. Gebruik elkaar als twee of meer personen dezelfde handeling bij elkaar uitvoeren. Gebruik zich als iedereen de handeling bij zichzelf uitvoert. Een handige test: probeer zowel elkaar als zichzelf in te vullen. Verandert de betekenis, dan kies je het woord dat past bij wat je wilt zeggen.
Veelgestelde vragen
Wanneer gebruik je zich en wanneer zichzelf?
De korte vorm zich is de gewone keuze, bijvoorbeeld in Hij wast zich. De vorm zichzelf gebruik je om nadruk te leggen of een tegenstelling aan te geven, zoals in Hij praat tegen zichzelf. Ook na een voorzetsel hoor je vaak zichzelf: Ze heeft vertrouwen in zichzelf. Bij echt wederkerende werkwoorden als zich schamen gebruik je meestal gewoon zich. Beide vormen verwijzen naar het onderwerp van de zin.
Is elkaar ook een wederkerend voornaamwoord?
Nee, elkaar is een wederkerig voornaamwoord. Het betekent dat twee of meer personen dezelfde handeling bij elkaar uitvoeren. Bij Zij helpen elkaar helpt de een de ander. Bij Zij helpen zichzelf helpt iedereen alleen zichzelf. Het onderscheid is dus een kwestie van betekenis en je mag de twee niet door elkaar halen.
Welke werkwoorden hebben altijd een wederkerend voornaamwoord?
Dat zijn de echt wederkerende werkwoorden. Bekende voorbeelden zijn zich schamen, zich vergissen, zich haasten, zich verheugen en zich gedragen. Zonder het voornaamwoord is de zin onvolledig of onjuist: Hij vergist klopt niet, Hij vergist zich wel. Een woordenboek geeft aan welke werkwoorden alleen met zich voorkomen. Het voornaamwoord past zich aan het onderwerp aan, dus ik vergis me en wij vergissen ons.