zwik
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord, werkwoord /zʋɪk/Betekenis
- een houten pin waarmee een zwikgat afgedicht kan worden
- zwak: Proost!
- hoekstuk tussen een cirkel en de rechthoekige omlijsting hiervan
- het zwikken (van een lichaamsdeel), verstuiking
- winnende slag van drie gelijke kaarten (bijv. drie boeren of drie azen)
- aanzienlijke hoeveelheid, een groot aantal (van bij elkaar horen voorwerpen, artikelen, mensen e.d.)
- vnl. verkleinwoord spullen, mikmak, zooitje
Hoe spreek je zwik uit?
/zwɪk/
Zwik bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| w | quiz |
| ɪ | pit |
| k | kat |
zelfstandig naamwoord — masculine
- penis obsolete
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zwikje | verkleinwoord, enkelvoud |
| zwikjes | verkleinwoord, meervoud |
| zwikken | meervoud |
bijvoeglijk naamwoord
- wankel (allitererend met zwak) figuratively, obsolete
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zwikken
- gebiedende wijs van zwikken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zwikken
Vervoeging van zwik
zwikhele werkwoord
Herkomst
[1] [2] Leenwoord uit Middelhoogduits zwic “nagel”, “plug” (= Duits Zwecke “nagel, houten pin”). In de oudere spelling swick, in de betekenis van “houten pin” (in een vat, waarmee vloeistof uit het gat getapt kan worden) voor het eerst aangetroffen in het jaar 1573. ** Ook als onderdeel van de heildronk (gespeld als) swick swack, voor het eerst aangetroffen in 1612, zie vindplaats hieronder.
Woordfamilie van zwik
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zwikje | verkleinwoord | zwik |
| zwikjes | verkleinwoord meervoud | zwik |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zwik zijn vastgelegd.