tik
zelfstandig naamwoord, werkwoord tɪkBetekenis
- een korte niet al te harde klap of schop
- het korte maar energieke geluid van zo'n klap of schop
- zo
- zozeer (in 'niet zozeer als')
Hoe spreek je tik uit?
/tɪk/
Tik bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| ɪ | pit |
| k | kat |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| tikje | verkleinwoord, enkelvoud |
| tikjes | verkleinwoord, meervoud |
| tikken | meervoud |
| tikkie | verkleinwoord, enkelvoud |
| tikkies | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tikken
- gebiedende wijs van tikken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tikken
Vervoeging van tik
tikhele werkwoord
Herkomst
klanknabootsing
Woordfamilie van tik
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| tikje | verkleinwoord | tik |
| tikjes | verkleinwoord meervoud | tik |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tik zijn vastgelegd.