schrik
zelfstandig naamwoord, werkwoord sxrɪkBetekenis
- het ervaren van een gevoel van angst, bijvoorbeeld als gevolg van een plotselinge verandering of gevaarlijke situatie
Hoe spreek je schrik uit?
/sxrɪk/
Schrik bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| x | acht |
| r | rood |
| ɪ | pit |
| k | kat |
zelfstandig naamwoord — masculine
- hevige plotselinge angst, bijvoorbeeld als gevolg van een onverwachte verandering of gevaarlijke situatie
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| schrikje | verkleinwoord, enkelvoud |
| schrikjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schrikken
- gebiedende wijs van schrikken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schrikken
Vervoeging van schrik
schrikhele werkwoord
Herkomst
naamwoord van handeling, gesubstantiveerde werkwoordsstam van schrikken
Woordfamilie van schrik
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| schrikje | verkleinwoord | schrik |
| schrikjes | verkleinwoord meervoud | schrik |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schrik zijn vastgelegd.