krik
zelfstandig naamwoord, werkwoord krɪkBetekenis
- een voorwerp om zware dingen, zoals een auto, mee op te tillen
Hoe spreek je krik uit?
/krɪk/
Krik bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| r | rood |
| ɪ | pit |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| krikje | verkleinwoord, enkelvoud |
| krikjes | verkleinwoord, meervoud |
| krikken | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van krikken
- gebiedende wijs van krikken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van krikken
Vervoeging van krik
krikhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘dommekracht’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1950
Woordfamilie van krik
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| krikje | verkleinwoord | krik |
| krikjes | verkleinwoord meervoud | krik |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van krik zijn vastgelegd.