brik
zelfstandig naamwoord brɪkBetekenis
- bakstenen die zo slecht gebakken zijn dat ze broos zijn
- (België) pak voor drank
- een vierwielige wagen
- een groot zeilschip
- baksteen
- balustrade, hekwerk
- barrière, belemmering, perk
- een lage houten wand
Hoe spreek je brik uit?
/brɪk/
Brik bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| r | rood |
| ɪ | pit |
| k | kat |
zelfstandig naamwoord — masculine
- pak voor drank
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [A] | canonical |
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘zeilvaartuig’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1781
Woordfamilie van brik
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| brikje | woordvorm | brik |
| brikjes | meervoud | brik |
| brikken | meervoud | brik |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van brik zijn vastgelegd.