zwikken
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- knakken
- een verdraaiing of verstuiking verkrijgen
- een bepaald kaartspel spelen
- het op de leest vormen van de schoen
Vervoeging van zwikken
zwikkenhele werkwoord — zwikteverleden tijd enkelvoud — zwiktenverleden tijd meervoud — gezwiktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zwik | zwikte |
| jij | zwikt | zwikte |
| hij, zij, het | zwikt | zwikte |
| wij | zwikken | zwikten |
| jullie | zwikken | zwikten |
| zij | zwikken | zwikten |
Alle 99 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gezwikt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gezwikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gezwikt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gezwikt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gezwikt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gezwikt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gezwikt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gezwikt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gezwikt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gezwikt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gezwikt | verleden tijd, deelwoord |
| gezwikt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gezwikt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gezwikt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezwikt te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezwikt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezwikt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gezwikt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gezwikt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gezwikt zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gezwikt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| is gezwikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gezwikt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te zijn gezwikt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen zwikken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| te zwikken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| waart gezwikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gezwikt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gezwikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gezwikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gezwikt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gezwikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gezwikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gezwikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gezwikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gezwikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gezwikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gezwikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gezwikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gezwikt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gezwikt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gezwikt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gezwikt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gezwikt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gezwikt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gezwikt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gezwikt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gezwikt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gezwikt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gezwikt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gezwikt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal zwikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal zwikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal zwikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gezwikt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn gezwikt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gezwikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gezwikt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gezwikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gezwikt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gezwikt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gezwikt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gezwikt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gezwikt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gezwikt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou zwikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou zwikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou zwikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gezwikt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gezwikt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gezwikt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gezwikt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gezwikt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gezwikt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden zwikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden zwikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden zwikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gezwikt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gezwikt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt zwikken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gezwikt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gezwikt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gezwikt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gezwikt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gezwikt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gezwikt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen zwikken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen zwikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen zwikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen zwikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gezwikt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gezwikt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult zwikken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zwik | gebiedende wijs |
| zwikke | aanvoegende wijs |
| zwikkend | onvoltooid, deelwoord |
| zwikte | verleden tijd |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord zwik
Herkomst
In de betekenis van ‘kansspel met kaarten’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1906
Woordfamilie van zwikken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gezwikt | voltooid deelwoord | zwikken |
| gezwikte | woordvorm | zwikken |
| zwikke | aanvoegende wijs | zwikken |
| zwikkend | onvoltooid deelwoord | zwikken |
| zwikkende | woordvorm | zwikken |
| zwikt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | zwikken |
| zwikte | verleden tijd | zwikken |
| zwikten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | zwikken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zwikken zijn vastgelegd.