snik
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord, werkwoord snɪkBetekenis
- een geluid dat men voortbrengt bij verdriet of pijn
- benauwend warm
- niet goed ~ zijn niet goed bij zijn hoofd zijn
Hoe spreek je snik uit?
/snɪk/
Snik bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| n | nek |
| ɪ | pit |
| k | kat |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| snikje | verkleinwoord, enkelvoud |
| snikjes | verkleinwoord, meervoud |
| snikken | meervoud |
zelfstandig naamwoord
- een historisch type zeilboot
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| snikje | verkleinwoord, enkelvoud |
| snikjes | verkleinwoord, meervoud |
| snikken | meervoud |
bijvoeglijk naamwoord
- bijdehand, snugger; tegenwoordig alleen nog in de vaste uitdrukking niet goed ~ zijn ("niet goed bij zijn hoofd zijn") obsolete
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van snikken
- gebiedende wijs van snikken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van snikken
Vervoeging van snik
snikhele werkwoord
Woordfamilie van snik
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| snikje | verkleinwoord | snik |
| snikjes | verkleinwoord meervoud | snik |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van snik zijn vastgelegd.