schik
zelfstandig naamwoord, werkwoord /sxɪk/Betekenis
- ~ hebben in iets: door iets geamuseerd worden
Hoe spreek je schik uit?
/sxɪk/
Schik bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| x | acht |
| ɪ | pit |
| k | kat |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schikken
- gebiedende wijs van schikken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schikken
Vervoeging van schik
schikhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘pret’ voor het eerst aangetroffen in 1802