mik
zelfstandig naamwoord, werkwoord mɪkBetekenis
- het mikken, het ergens op richten
- een zwaar soort brood van in linnen zakjes gekookt ongezift roggemeel
- deel van een maststrijksysteem waarop de mast in gestreken stand rust
- handel, spul, zooi
- vriend
- mij (accusatief van de eerste persoon enkelvoud)
- mikken
Hoe spreek je mik uit?
/mɪk/
Mik bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| ɪ | pit |
| k | kat |
zelfstandig naamwoord — masculine
- handeling van het ergens op richten
- iets waarom gericht wordt
- begin van een beweging
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van mikken
- gebiedende wijs van mikken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van mikken
Vervoeging van mik
mikhele werkwoord
Alle 1 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [A] mik | canonical |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| mikje | verkleinwoord |
| mikjes | verkleinwoord, enkelvoud |
| mikken | enkelvoud |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- Zuid-Afrikaans Nederlands paal met uitsteeksels waaraan lijken van veroordeelden opgehangen werden
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| mikje | verkleinwoord |
| mikjes | verkleinwoord, enkelvoud |
| mikken | enkelvoud |
Woordfamilie van mik
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| mikje | verkleinwoord | mik |
| mikjes | verkleinwoord | mik |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van mik zijn vastgelegd.