flik
zelfstandig naamwoord, werkwoord flɪkBetekenis
- persoon die belast is met hulpverlening en met de handhaving van de openbare orde en veiligheid
- platte, van boven afgeronde schijfjes chocola.. Oorspronkelijk ging het om besuikerde schijfjes, naderhand kwamen er ook flikjes die niet waren besuikerd en die ook een andere vorm konden hebben.
Hoe spreek je flik uit?
/flɪk/
Flik bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| f | fiets |
| l | land |
| ɪ | pit |
| k | kat |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| flikje | verkleinwoord, enkelvoud |
| flikjes | verkleinwoord, meervoud |
| flikken | meervoud |
zelfstandig naamwoord — masculine
- koekje in de vorm van een plat, van boven afgerond schijfje chocola, oorspronkelijk alleen besuikerd
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van flikken
- gebiedende wijs van flikken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van flikken
Vervoeging van flik
flikhele werkwoord
Herkomst
zelfstandig naamwoord: van Frans flic, oorspronkelijk vooral gangbaar in Vlaanderen
zelfstandig naamwoord: terugvorming van het eponiem flikje
Woordfamilie van flik
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| flikjes | verkleinwoord meervoud | flik |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van flik zijn vastgelegd.