viool
zelfstandig naamwoord viˈjolBetekenis
- viersnarig strijkinstrument
- katrol/blok met twee boven elkaar geplaatste schijven van verschillende grootte, waardoor de vorm wat op een viool lijkt
- deel van onderlijf met de uitgang van de darmen
- een laaggroeiend plantje met vaak driekleurige bloemen (plantengeslacht Viola)
Hoe spreek je viool uit?
/viˈjol/
Viool bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| i | riet |
| j | ja |
| o | boot |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- katrol/blok met twee boven elkaar geplaatste schijven van verschillende grootte, waardoor de vorm wat op het onder [1] genoemde instrument lijkt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| violen | meervoud |
| viooltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| viooltjes | verkleinwoord, meervoud |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- benaming voor uit het geslacht Viola, laaggroeiend plantjes met vaak driekleurige bloemen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘snaarinstrument’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1555
Woordfamilie van viool
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| violen | meervoud | viool |
| viooltjes | verkleinwoord meervoud | viool |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van viool zijn vastgelegd.