strijkstok
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een constructie waarmee de snaren van een strijkinstrument in trilling gebracht worden
- een stok waarmee een maatvat voor droge stoffen afgestreken wordt
- ouderwetse lucifer, die op allerlei materialen door aanstrijken, kon ontvlammen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| strijkstokje | verkleinwoord, enkelvoud |
| strijkstokjes | verkleinwoord, meervoud |
| strijkstokken | meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘stok om muziekinstrument mee te bespelen, om maat mee af te strijken’ voor het eerst aangetroffen in 1567
Woordfamilie van strijkstok
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| strijkstokje | verkleinwoord | strijkstok |
| strijkstokjes | verkleinwoord meervoud | strijkstok |
| strijkstokken | meervoud | strijkstok |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van strijkstok zijn vastgelegd.