stool
zelfstandig naamwoord stolBetekenis
- schouderband van priester om de hals gedragen bij het verrichten van bepaalde geestelijke handelingen
- kruk
- stoelgang
- stoel; een zitmeubel voor één persoon met een rugleuning
Hoe spreek je stool uit?
/stol/
Stool bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| t | tak |
| o | boot |
| l | land |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| stolen | meervoud |
| stooltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| stooltjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
via Middelnederlands stole en Latijn stola "lang, deftig gewaad" van Oudgrieks στολή (stolè) "gewaad", in de betekenis van ‘schouderband van priester’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1236
Woordfamilie van stool
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| stolen | meervoud | stool |
| stooltje | verkleinwoord | stool |
| stooltjes | verkleinwoord meervoud | stool |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van stool zijn vastgelegd.