cello
zelfstandig naamwoordBetekenis
- viersnarig strijkinstrument dat tijdens het bespelen door de cellist tussen de knieën wordt gehouden
- violoncello; een viersnarig strijkinstrument dat tijdens het bespelen door de violoncellist of cellist tussen de knieën wordt gehouden
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| celli | meervoud |
| cello's | meervoud |
| cellootje | verkleinwoord, enkelvoud |
| cellootjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘snaarinstrument’ voor het eerst aangetroffen in 1847
Woordfamilie van cello
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| celli | meervoud | cello |
| cello's | meervoud | cello |
| cellootje | verkleinwoord | cello |
| cellootjes | verkleinwoord meervoud | cello |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van cello zijn vastgelegd.