boerenkool
zelfstandig naamwoord /burə'kol/Betekenis
- een kool met sterk gekrulde bladeren
- een stamppot van boerenkool met aardappelen
Hoe spreek je boerenkool uit?
/burəˈkol/
Boerenkool bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| u | boek |
| r | rood |
| ə | de |
| k | kat |
| o | boot |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- bladgewas (kool) Brassica oleracea convar. acephala var. laciniata
- sterk gekrulde bladeren van Brassica oleracea convar. acephala var. laciniata
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| boerenkolen | enkelvoud |
| boerenkooltje | verkleinwoord, eerste persoon |
| boerenkooltjes | verkleinwoord, enkelvoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘koolsoort’ voor het eerst aangetroffen in 1778
Woordfamilie van boerenkool
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| boerenkolen | enkelvoud | boerenkool |
| boerenkooltje | verkleinwoord, 1e persoon | boerenkool |
| boerenkooltjes | verkleinwoord | boerenkool |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van boerenkool zijn vastgelegd.