gieren
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈɣirə(n)Betekenis
- een fluitend geluid maken, door een harde wind of krachtige ademhaling
- hard lachen
- heel snel rond gaan
- een draaiende beweging rond de verticale as maken.
Hoe spreek je gieren uit?
/ˈxirən/
Gieren bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| i | riet |
| r | rood |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van gieren
gierenhele werkwoord — gierdeverleden tijd enkelvoud — gierdenverleden tijd meervoud — gegierdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | gier | gierde |
| jij | giert | gierde |
| hij, zij, het | giert | gierde |
| wij | gieren | gierden |
| jullie | gieren | gierden |
| zij | gieren | gierden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gegierd | verleden tijd, deelwoord |
| gegierd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gegierd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gier | gebiedende wijs |
| gierde | verleden tijd |
| giere | aanvoegende wijs |
| gierend | onvoltooid, deelwoord |
| had gegierd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gegierd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gegierd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gegierd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gegierd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gegierd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gegierd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gegierd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gegierd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gegierd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gegierd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gegierd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gegierd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gegierd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gegierd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te gieren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gegierd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen gieren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gegierd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gegierd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gegierd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gieren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal gieren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal gieren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gegierd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gegierd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gegierd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gieren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou gieren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou gieren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gegierd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gegierd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gegierd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gieren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gieren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gieren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gegierd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gieren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gegierd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gegierd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gegierd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gieren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen gieren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gieren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gieren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gegierd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gieren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord gier
Herkomst
In de betekenis van ‘(scherp) geluid maken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1567
Woordfamilie van gieren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gegierd | voltooid deelwoord | gieren |
| gierde | verleden tijd | gieren |
| gierden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | gieren |
| giere | aanvoegende wijs | gieren |
| giert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | gieren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gieren zijn vastgelegd.