verzieken
werkwoordBetekenis
- verpesten, bederven, zorgen dat het niet leuk meer is
Vervoeging van verzieken
verziekenhele werkwoord — verziekteverleden tijd enkelvoud — verziektenverleden tijd meervoud — verziektvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verziek | verziekte |
| jij | verziekt | verziekte |
| hij, zij, het | verziekt | verziekte |
| wij | verzieken | verziekten |
| jullie | verzieken | verziekten |
| zij | verzieken | verziekten |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben verziekt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verziekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is verziekt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was verziekt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd verziekt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt verziekt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal verziekt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal verziekt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou verziekt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou verziekt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had verziekt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verziekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verziekt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verziekt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verziekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verziekt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verziekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verziekt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verziekt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verziekt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verziekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verziekt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verziekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verziekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verziekt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is verziekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verziekt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verziekt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verzieken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verzieken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verziek | gebiedende wijs |
| verzieke | aanvoegende wijs |
| verziekend | onvoltooid, deelwoord |
| verziekt | verleden tijd, deelwoord |
| verziekt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verziekt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verziekt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verziekt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verziekt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verziekt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verziekt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verziekt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verziekt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verziekt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verziekte | verleden tijd |
| waart verziekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verziekt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verziekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verziekt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verziekt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verziekt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verziekt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd verziekt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd verziekt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd verziekt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden verziekt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden verziekt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden verziekt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt verziekt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word verziekt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden verziekt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden verziekt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden verziekt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt verziekt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt verziekt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal verzieken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verzieken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verzieken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal verziekt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verziekt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verziekt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verziekt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verziekt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal verziekt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verziekt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn verziekt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verziekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verziekt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verziekt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verzieken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verzieken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verzieken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou verziekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verziekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verziekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verziekt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verziekt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou verziekt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verziekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verziekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verziekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verzieken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verzieken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verzieken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden verziekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verziekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verziekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verziekt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verziekt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verziekt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verziekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verziekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verziekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt verzieken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt verziekt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verziekt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verziekt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen verzieken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verzieken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verzieken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verzieken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen verziekt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verziekt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verziekt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verziekt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verziekt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verziekt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verziekt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verziekt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verziekt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult verzieken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult verziekt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verziekt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verziekt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van zieken met het voorvoegsel ver-
Woordfamilie van verzieken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verziek | gebiedende wijs | verzieken |
| verzieke | aanvoegende wijs | verzieken |
| verziekend | onvoltooid deelwoord | verzieken |
| verziekende | woordvorm | verzieken |
| verziekt | voltooid deelwoord | verzieken |
| verziekte | verleden tijd | verzieken |
| verziekten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verzieken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verzieken zijn vastgelegd.