vaarseizoen
zelfstandig naamwoord /ˈvarsɛizun/Betekenis
- periode van het jaar waarin de overheersende windrichtingen en andere omstandigheden voor zeilschepen gunstig zijn om hun bestemming te bereiken
- periode van het jaar waarin volgens dienstregeling wordt gevaren
- deel van het jaar met naar verhouding veel pleziervaart
Hoe spreek je vaarseizoen uit?
/ˈvarsɛizun/
Vaarseizoen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| a | maan |
| r | rood |
| s | sok |
| ɛi | trein |
| z | zon |
| u | boek |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| vaarseizoenen | meervoud |
Herkomst
samenstelling van vaar ww en seizoen
Woordfamilie van vaarseizoen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vaarseizoenen | meervoud | vaarseizoen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vaarseizoen zijn vastgelegd.