uitrekenen
werkwoord ˈœytrekənə(n)Betekenis
- door berekening iets bepalen
Hoe spreek je uitrekenen uit?
/ˈœytrekənən/
Uitrekenen bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| œy | huis |
| t | tak |
| r | rood |
| e | veel |
| k | kat |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van uitrekenen
uitrekenenhele werkwoord — rekende uitverleden tijd enkelvoud — rekenden uitverleden tijd meervoud — uitgerekendvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | reken uit | rekende uit |
| jij | rekent uit | rekende uit |
| hij, zij, het | rekent uit | rekende uit |
| wij | rekenen uit | rekenden uit |
| jullie | rekenen uit | rekenden uit |
| zij | rekenen uit | rekenden uit |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben uitgerekend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uitgerekend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is uitgerekend | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was uitgerekend | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd uitgerekend | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt uitgerekend | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal uitgerekend worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal uitgerekend zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou uitgerekend worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou uitgerekend zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had uitgerekend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uitgerekend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uitgerekend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uitgerekend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uitgerekend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uitgerekend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uitgerekend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uitgerekend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgerekend | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uitgerekend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgerekend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uitgerekend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uitgerekend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgerekend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgerekend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is uitgerekend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uitgerekend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| reken uit | gebiedende wijs |
| rekende uit | verleden tijd |
| te hebben uitgerekend | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitrekenen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te rekenen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen rekenen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal rekenen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou rekenen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden rekenen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt rekenen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen rekenen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen rekenen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult rekenen | bijzin, toekomende tijd |
| uitgerekend | verleden tijd, deelwoord |
| uitgerekend te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgerekend te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgerekend te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgerekend te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgerekend te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgerekend worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgerekend zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgerekend zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgerekend zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgerekend zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitreken | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitrekende | bijzin, verleden tijd |
| uitrekenden | bijzin, verleden tijd |
| uitrekenend | onvoltooid, deelwoord |
| uitrekent | bijzin, tegenwoordige tijd |
| waart uitgerekend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgerekend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uitgerekend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgerekend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uitgerekend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uitgerekend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uitgerekend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd uitgerekend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd uitgerekend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd uitgerekend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden uitgerekend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden uitgerekend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden uitgerekend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt uitgerekend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word uitgerekend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden uitgerekend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden uitgerekend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden uitgerekend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt uitgerekend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt uitgerekend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal uitgerekend hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgerekend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgerekend hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitgerekend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgerekend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal uitgerekend zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgerekend zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitrekenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitrekenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitrekenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitrekenen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn uitgerekend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uitgerekend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uitgerekend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uitgerekend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou uitgerekend hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgerekend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgerekend hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitgerekend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgerekend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou uitgerekend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgerekend zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgerekend zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgerekend zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitrekenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitrekenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitrekenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitrekenen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uitrekenen uit zou(dt) rekenen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgerekend hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgerekend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgerekend hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgerekend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitgerekend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitgerekend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgerekend zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgerekend zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgerekend zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitrekenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitrekenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitrekenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitrekenen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgerekend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgerekend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgerekend zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitrekenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitrekenen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uitgerekend hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgerekend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgerekend hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgerekend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitgerekend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitgerekend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgerekend zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgerekend zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgerekend zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitrekenen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitrekenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitrekenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitrekenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitrekenen | bijzin, toekomende tijd |
| zult uitgerekend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van uit bw en rekenen ww
Woordfamilie van uitrekenen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| reken uit | gebiedende wijs | uitrekenen |
| rekende uit | verleden tijd | uitrekenen |
| rekenden uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uitrekenen |
| rekene uit | woordvorm | uitrekenen |
| rekenen uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uitrekenen |
| rekent uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uitrekenen |
| uitreken | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitrekenen |
| uitrekende | subordinate-clause, verleden tijd | uitrekenen |
| uitrekenden | subordinate-clause, verleden tijd | uitrekenen |
| uitrekene | with-subordinate-clause | uitrekenen |
| uitrekenend | onvoltooid deelwoord | uitrekenen |
| uitrekenende | woordvorm | uitrekenen |
| uitrekent | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitrekenen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitrekenen zijn vastgelegd.