tiktak
zelfstandig naamwoord, tussenwerpsel, werkwoord ˈtɪktɑkBetekenis
- een slingeruurwerk of horloge
- het hart
- een dobbelspel
- geluid dat een slingeruurwerk of horloge maakt
tiktak in een zin
- In de gang hing een oude tiktak.
- Zijn tiktak sloeg over van de schrik.
- Ze speelden 's avonds een partij tiktak.
Let op: Er zijn twee meervouden: tiktakken en tiktaks.
Hoe spreek je tiktak uit?
/ˈtɪktɑk/
Tiktak bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| ɪ | pit |
| k | kat |
| ɑ | bad |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| (tiktaks) | meervoud |
| tiktakken | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tiktakken
- gebiedende wijs van tiktakken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tiktakken
Vervoeging van tiktak
tiktakhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘tussenwerpsel: geluid van slingeruurwerk’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1653
Woordfamilie van tiktak
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| tiktaks | meervoud | tiktak |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tiktak zijn vastgelegd.