angst
zelfstandig naamwoord ɑŋstBetekenis
- het gevoel dat er onheil of gevaar dreigt
- enig in de opvolgende geijkte termen.
- angstgevoel, levensangst.
Hoe spreek je angst uit?
/ɑŋst/
Angst bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| ŋ | ding |
| s | sok |
| t | tak |
zelfstandig naamwoord — masculine
- gevoel dat er onheil of gevaar dreigt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| angsten | meervoud |
| angstje | verkleinwoord, enkelvoud |
| angstjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘vrees’ voor het eerst aangetroffen in 901
Woordfamilie van angst
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| angsten | meervoud | angst |
| angstje | verkleinwoord | angst |
| angstjes | verkleinwoord meervoud | angst |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van angst zijn vastgelegd.