ribbe
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een van de platte, dunne, boogvormige beenderen die de borstkas omsluiten
- de lengte van een zijde van een kubus of parallellopipedum.
- kaalplukken, plukken (ontdoen van veren van een vogel)
- beroven, plunderen
- rib, varkensrib
- dwarsregel
- rib (smalle verhoging aan de oppervlakte van een voorwerp)
- rib (van de koeling van een motor)
- bergrug
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- de lengte van een zijde van een kubus of parallellepipedum.
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ribben | meervoud |
| ribbetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| ribbetjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- aanvoegende wijs van ribben
Vervoeging van ribbe
ribbehele werkwoord
Herkomst
rib met de uitgang -e
Woordfamilie van ribbe
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ribbetjes | verkleinwoord meervoud | ribbe |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ribbe zijn vastgelegd.