plan
zelfstandig naamwoord, werkwoord plɑnBetekenis
- een voorgenomen handelswijze
- een idee van iets dat men wil gaan doen
- een ontwerp voor een ruimtelijke of economische ordening
- niveau
- de perspectiefverdeling van een schilderij of vergezicht
- plattegrond
- vlak, pas, plat
- plattegrond, schets
- plan, opzet, ontwerp
- (horizontaal) vlakte
- plan, niveau
- vleugel
- tekening
- waterpas, horizontaal
- opzet, ontwerp
- plan, niveau, verdieping
- plan
- programma
- project
Hoe spreek je plan uit?
/plɑn/
Plan bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| l | land |
| ɑ | bad |
| n | nek |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| plannen | enkelvoud |
| plannetje | verkleinwoord |
| plannetjes | verkleinwoord, enkelvoud |
| plans | enkelvoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van plannen
- gebiedende wijs van plannen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van plannen
Vervoeging van plan
planhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘ontwerp, voornemen’ voor het eerst aangetroffen in 1674
Woordfamilie van plan
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| plannetje | verkleinwoord | plan |
| plannetjes | verkleinwoord | plan |
| plans | enkelvoud | plan |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van plan zijn vastgelegd.