wan
zelfstandig naamwoord, werkwoord, bijvoeglijk naamwoord wɑnBetekenis
- ondiepe gevlochten bak om koren te zuiveren van kaf en stro
- apparaat om koren te zuiveren van kaf en stro
- blaasbalg van een smidse
- reservoir van sommige soorten ovens
- gebrekkig, schadelijk, slecht, verkeerd
- niet naar behoren gevuld, aangebroken of leeg
- minder bruikbare deel van een balk of plank dat bij het verzagen uit een stam niet glad en recht is gemaakt
- holte of oneffenheid in een stuk hout
- gaatje of lek
- stuk ijzer dat in het spongat van een vat kan worden gestoken zodat het vat met een touw dat aan het midden van het ijzer is bevestigd kan worden opgehesen
- ruimte die in een gevulde ton vrijkomt als de vis door het zouten krimpt
- één
Hoe spreek je wan uit?
/wɑn/
Wan bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| w | quiz |
| ɑ | bad |
| n | nek |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| wannen | meervoud |
| wannetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| wannetjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wannen
- gebiedende wijs van wannen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wannen
Vervoeging van wan
wanhele werkwoord
Alle 1 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [A] wan | canonical |
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [B] wan | canonical |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| wannen | meervoud |
| wannetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| wannetjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordfamilie van wan
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| wannetje | verkleinwoord | wan |
| wannetjes | verkleinwoord meervoud | wan |
| wans | woordvorm | wan |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van wan zijn vastgelegd.