ban
zelfstandig naamwoord, werkwoord bɑnBetekenis
- het rechtsgebied van een bepaalde stad
- in de ~ doen uitsluiten van de kerkgemeenschap
- in de ban zijn van: het dwangmatig door iets of iemand gebonden zijn
- een titel voor een landvoogd
- oproep
- bot
- uitbannen, verbannen, bannen
- hek
- welk?
- modder, klei
- believen, plezier doen
Hoe spreek je ban uit?
/bɑn/
Ban bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɑ | bad |
| n | nek |
zelfstandig naamwoord — masculine
- straf in de vorm van een verbod om in een bepaald gebied te zijn
- uitsluiting uit de kerkgemeenschap
- rechtsgebied van een bepaalde stad historical
- officiële afkondiging
- magisch lijkende invloed
- titel voor landvoogden in Zuidoost-Europa historical
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bannen
- gebiedende wijs van bannen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bannen
Vervoeging van ban
banhele werkwoord
Herkomst
erfwoord via Middelnederlands ban van Oudnederlands ban, naamwoord van handeling bannen ww , in de betekenis van ‘afkondiging, uitsluiting’ aangetroffen vanaf 995 **[6] van Duits Bann, in de betekenis van ‘betovering’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1898 **[7] via Kroatisch ban van Perzisch بان (bān) "prins, heer, gouverneur"