plannen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈplɛnə(n)Betekenis
- een tijdstip afspreken om iets te doen
- het maken van een plan
Hoe spreek je plannen uit?
/ˈplɛnən/
Plannen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| l | land |
| ɛ | bed |
| n | nek |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- bestemmen voor een of meer toekomstige activiteiten transitive
- tot een samenhangend geheel van toekomstige activiteiten maken transitive
Vervoeging van plannen
plannenhele werkwoord — plandeverleden tijd enkelvoud — plandenverleden tijd meervoud — geplandvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | plan | plande |
| jij | plant | plande |
| hij, zij, het | plant | plande |
| wij | plannen | planden |
| jullie | plannen | planden |
| zij | plannen | planden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gepland | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gepland | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gepland | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gepland | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gepland worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gepland zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gepland worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gepland zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gepland | verleden tijd, deelwoord |
| gepland te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gepland zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gepland | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gepland | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gepland | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gepland | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gepland | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gepland | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gepland | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gepland | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepland | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gepland | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepland | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gepland | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gepland | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepland | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepland | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| plan | gebiedende wijs |
| plande | verleden tijd |
| planne | aanvoegende wijs |
| plannend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gepland | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te plannen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen plannen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gepland hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gepland hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gepland hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal plannen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal plannen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal plannen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gepland hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gepland hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gepland hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou plannen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou plannen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou plannen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gepland hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gepland hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gepland hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden plannen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden plannen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden plannen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gepland hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt plannen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gepland hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gepland hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gepland hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen plannen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen plannen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen plannen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen plannen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gepland hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult plannen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord plan
Woordfamilie van plannen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gepland | voltooid deelwoord | plannen |
| plande | verleden tijd | plannen |
| planden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | plannen |
| planne | aanvoegende wijs | plannen |
| plannend | onvoltooid deelwoord | plannen |
| plannende | woordvorm | plannen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van plannen zijn vastgelegd.