span
zelfstandig naamwoord, werkwoord spɑnBetekenis
- twee of meer trekdieren die samen zijn aangespannen
- duo, koppel, paar, stel, tweetal
- verleden tijd enkelvoud en meervoud van spin
- inductantie
Hoe spreek je span uit?
/spɑn/
Span bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| p | pak |
| ɑ | bad |
| n | nek |
zelfstandig naamwoord — neuter
- geheel van trekdieren die samen zijn aangespannen voor een voertuig of landbouwwerktuig
- twee personen die gewoonlijk samen bepaalde bezigheden verrichten
- geraamte van een vlieger
- oude (niet-metrische) lengtemaat: de afstand tussen de toppen van duim en pink van de uitgestrekte hand (gesteld op 22,86 cm)
- sieraad in de vorm van een haarband, speld of gesp obsolete
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| spannen | meervoud |
| spannetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| spannetjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spannen
- gebiedende wijs van spannen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van spannen
Vervoeging van span
spanhele werkwoord
Herkomst
o naamwoord van handeling van spannen ww **[1] (verkorting) van verouderd gespan, in de betekenis van ‘voorgespannen dieren, wagen met bespanning’ aangetroffen vanaf **[2] omdat trekdieren meestal paarsgewijs werden ingespannen **[3] omdat het geraamte van een vlieger zijn stevigheid krijgt door een touw dat er strak omheen wordt getrokken