makelen
werkwoord /ˈmakələ(n)/Betekenis
- tot stand brengen (van overeenstemming tussen partijen)
- als makelaar werkzaam zijn
Hoe spreek je makelen uit?
/ˈmakələn/
Makelen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| a | maan |
| k | kat |
| ə | de |
| l | land |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van makelen
makelenhele werkwoord — makeldeverleden tijd enkelvoud — makeldenverleden tijd meervoud — gemakeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | makel | makelde |
| jij | makelt | makelde |
| hij, zij, het | makelt | makelde |
| wij | makelen | makelden |
| jullie | makelen | makelden |
| zij | makelen | makelden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gemakeld | verleden tijd, deelwoord |
| gemakeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gemakeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gemakeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gemakeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gemakeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gemakeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gemakeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gemakeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gemakeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gemakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemakeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gemakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gemakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gemakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gemakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gemakeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| makel | gebiedende wijs |
| makelde | verleden tijd |
| makele | aanvoegende wijs |
| makelend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gemakeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te makelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen makelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gemakeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gemakeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gemakeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal makelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal makelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal makelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gemakeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gemakeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gemakeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou makelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou makelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou makelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gemakeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gemakeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gemakeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden makelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden makelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden makelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gemakeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt makelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gemakeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gemakeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gemakeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen makelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen makelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen makelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen makelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gemakeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult makelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
frequentatief gevormd uit maken met het achtervoegsel -el; er zijn aanwijzingen dat "makelen" ook al in het Middelnederlands voorkwam.
Woordfamilie van makelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gemakeld | voltooid deelwoord | makelen |
| gemakelde | woordvorm | makelen |
| makel | gebiedende wijs | makelen |
| makelde | verleden tijd | makelen |
| makelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | makelen |
| makele | aanvoegende wijs | makelen |
| makelend | onvoltooid deelwoord | makelen |
| makelende | woordvorm | makelen |
| makelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | makelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van makelen zijn vastgelegd.