knallen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈknɑlə(n)Betekenis
- een hard geluid of knal geven
- zich het beste geven
- uit elkaar ~
- een knal geven
- gek zijn
- ergernis veroorzaken
- met een vuurwapen op iemand schieten
- iemand een klap geven
- fel schijnen, branden (van de zon)
- neuken
- zuipen
Hoe spreek je knallen uit?
/ˈknɑlən/
Knallen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| n | nek |
| ɑ | bad |
| l | land |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van knallen
knallenhele werkwoord — knaldeverleden tijd enkelvoud — knaldenverleden tijd meervoud — geknaldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | knal | knalde |
| jij | knalt | knalde |
| hij, zij, het | knalt | knalde |
| wij | knallen | knalden |
| jullie | knallen | knalden |
| zij | knallen | knalden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| geknald | verleden tijd, deelwoord |
| geknald te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geknald zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geknald | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geknald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geknald | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geknald | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geknald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geknald | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geknald | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geknald | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geknald | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geknald | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geknald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geknald | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geknald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geknald | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geknald | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| knal | gebiedende wijs |
| knalde | verleden tijd |
| knalle | aanvoegende wijs |
| knallend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geknald | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te knallen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen knallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geknald hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geknald hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geknald hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal knallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal knallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal knallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geknald hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geknald hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geknald hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou knallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou knallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou knallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geknald hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geknald hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geknald hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden knallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden knallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden knallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geknald hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt knallen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geknald hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geknald hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geknald hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen knallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen knallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen knallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen knallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geknald hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult knallen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord knal
Herkomst
Waarschijnlijk ontleend aan Duits knallen , vanwege de relatief late verschijning ervan in het Nederlands, in de betekenis van ‘met het geluid van een ontploffing weerklinken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1762.
Woordfamilie van knallen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geknald | voltooid deelwoord | knallen |
| geknalde | woordvorm | knallen |
| knalde | verleden tijd | knallen |
| knalden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | knallen |
| knalle | aanvoegende wijs | knallen |
| knalt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | knallen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van knallen zijn vastgelegd.